Belgen hebben allemaal boter op hun hoofd

De ontwikkelingen die Patrick Stouthuysen signaleert ('In Belgische veerkracht schuilt bedenkelijke oproep', 8 oktober) zie ik ook, maar de aanvechting om sympathie te koesteren voor de wat anarchistisch aandoende houding van de Belgen heb ik nooit gehad. Dat heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat ik al meer dan 20 jaar in België woon en werk, zodat het steeds moeilijker wordt om de zaken nog van afstand te blijven bekijken.

Wanneer je de zachtmoedige, goedlachse en voorkomende Belgische burger vergelijkt met de dominante, botte straatvechterstypes die hij duldt als zijn politieke of vakbondsvertegenwoordiger, dan lijkt er iets niet te kloppen. Vanuit zijn sterk ontwikkelde individualisme (tegenover een relatief minder ontwikkeld gemeenschapsgevoel) ziet de Belg de noodzaak om sterke leiders de eenheid te laten smeden, maar vervolgens voelt hij zich weer verraden door de democratische beknotting van zijn individuele vrijheid.

De afkeuring van misstanden wordt daarentegen meestal binnenskamers uitgesproken. Brieven aan kranten en tijdschriften blijven opvallend vaak anoniem, want men is beducht voor de lange arm van de autoriteiten. Het ligt aldus voor de hand om te trachten iets voor zichzelf te regelen in discrete deals, waarbij de gekozene zich als het ware weer met de kiezer verzoent. Je zou het kleine corruptie kunnen noemen, die echter als nationaal verschijnsel de rechtsstaat ondermijnt.

De taalkwestie wordt politiek opgeklopt, maar speelt nauwelijks als landelijk thema. Naast het aandachttrekkende Voeren wordt het probleem slechts onderkend in de Vlaamse randgemeenten van Brussel, die in hun eigenheid bedreigd worden door Franstalige 'inwijkelingen'. De tijd van de Franstalige overheersing van België is overigens allang voorbij, maar het stoort de Vlamingen dat het economisch voorbijgestreefde Wallonië nog steeds weinig respect opbrengt voor hun taal en cultuur. Ondanks het feit dat Nederlands op Waalse middelbare scholen verplicht is, leveren de vele lesuren nauwelijks rendement op. Ik wil wedden dat de gemiddelde Nederlander zijn Frans als derde vreemde taal beter beheerst dan de gemiddelde Waal het Nederlands als tweede vreemde taal (na het Engels).

Van plannen tot een uitwisseling van Vlaamse en Waalse docenten ten behoeve van het taalonderricht is hier nog nooit iets vernomen, maar daarvoor is het na de federalisering misschien ook wel te laat. Wanneer een Vlaming (die overigens uitstekend Frans spreekt) in Wallonië echter net zo gemakkelijk in het Nederlands terecht zou kunnen als dat omgekeerd altijd al het geval was voor Franstaligen in Vlaanderen, dan zou de federalisering van België er wellicht nooit gekomen zijn. Vlamingen en Walen hebben namelijk veel meer culturele overeenkomsten dan verschillen.

De taalgrensoverschrijdende eensgezindheid over de feilen van het Belgische rechtssysteem geeft tevens aan dat veel Belgen vinden dat zij terecht alleen met tegenzin (en op grond van stemplicht) politieke mandatarissen aanwijzen en hun belastingcenten afdragen. Iedereen kent in zijn familie- of kennissenkring wel iemand die zijn overheidsbaan aan de politiek te danken heeft, iedereen moet dus weten dat dit de integriteit en efficiency van het overheidsapparaat niet ten goede komt. Maar na de vele andere onopgeloste misdaden heeft de zaak-Dutroux ieders ogen geopend en komt een boemerangeffect op gang.

Het zou daarom wenselijk zijn dat ook het Belgische parlement dit signaal oppikt en zichzelf niet meer buitenspel zet door volmachten te verlenen aan de regering, maar integendeel de dreigende vertrouwensbreuk met de kiezer tracht te herstellen. De jongste ontwikkelingen bieden mijns inziens dan ook vooral de kans om de democratische structuur te versterken, waarbij de kiezer weer als uitgangspunt wordt genomen. Niet om hem zijn stem te ontfutselen zonder de garantie dat de regering ook voldoende op de vingers wordt gekeken, maar door het algemeen belang voorop te stellen, het overheidsapparaat te professionaliseren en ambtenaren vervolgens adequaat te gaan belonen, het 'sociaal dienstbetoon' (of althans de uitwassen daarvan) door mandatarissen af te schaffen.

Hoewel uiteindelijk de Belgische samenleving als geheel voor de bestuurlijke tekortkomingen verantwoordelijk is, zou het de politiek sieren nu niet alleen daadkracht te tonen, maar ook een mea culpa uit te spreken voor de structurele oorzaken van de ontstane situatie. Dat maakt het een stuk gemakkelijker als men vervolgens de kiezer wil vragen van zijn kant iets verder te kijken dan zijn eigenbelang op korte termijn. Iedereen heeft immers boter op zijn hoofd. Om te beginnen zouden politieke partijen alleen kandidaten op hun kieslijst moeten zetten die op erewoord verklaren geen zwart geld te bezitten. De trap van boven naar beneden schoonvegen, heet dat. Moet kunnen, zelfs door een Belgische bril bezien.