800 miljoen mensen lijden acute honger; 'Doel betere voedselsituatie is niet bereikt'

DEN HAAG, 17 OKT. Een verhoging van de voedselproduktie, een gelijkwaardige verdeling van de voedselvoorraad en een duurzaam voedselbeleid. Deze drie doelstellingen moeten volgens de deelnemers aan de Nationale Conferentie Wereldvoedseldag, gisteren in Den Haag, prioriteit krijgen op de Wereldvoedseltop volgende maand in Rome.

Het doel dat op de eerste Wereldvoedseltop van de voedsel- en landbouwbouworganisatie van de Verenigde Naties, de FAO, in 1974 was gesteld, om binnen tien jaar de honger de wereld uit te helpen, is ruim twintig jaar later nog lang niet bereikt. “We waren toen te ambitieus”, concludeert minister Pronk (Ontwikkelingssamenwerking) terugkijkend.

Hij was gisteren een van de sprekers op de conferentie, die was georganiseerd door het Platform Wereldvoedseltop, bestaande uit 30 Nederlandse niet-gouvernementele organisaties, ter gelegenheid van Wereldvoedseldag en als voorbereiding op de Wereldvoedseltop.

Bijna 800 miljoen mensen, in 88 landen, lijden 'acute' honger. De helft van deze landen ligt in Afrika, 23 in Azië, 12 in Oost-Europa en 9 in Latijns Amerika. Daarnaast lijden nog eens 2 miljard mensen aan 'stille' of 'verborgen' honger, chronische ondervoeding ontstaan door een te weinig gevarieerd voedselpakket. Dit veroorzaakt tekorten aan voedingsstoffen, energie, eiwitten, vitamine A of jodium. Deze chronische ondervoeding is vaak al generaties lang aanwezig.

Ondanks het voedseltekort in de genoemde gebieden nam de steun van het Westen de afgelopen decennia af. De bilaterale en multilaterale bijstand voor de landbouw daalde van 10 miljard dollar in 1982 tot 7,2 miljard dollar in 1992. Het percentage van het ontwikkelingsgeld dat aan de landbouw werd besteed daalde in deze periode van 24 tot 16 procent.

De voedselsituatie is de afgelopen jaren op enkele punten verbeterd. De hoeveelheid beschikbaar voedsel in de wereld per hoofd van de bevolking nam in de periode 1960-1990 toe met ruim 10 procent. Voor de ontwikkelingslanden geldt zelfs een gemiddelde toename van bijna 20 procent. In het begin van de jaren zeventig hadden bijna 900 miljoen mensen, 35 procent van de bevolking in de ontwikkelingslanden, chronisch gebrek aan voedsel. Dertig jaar later was dat aantal gedaald tot 800 miljoen mensen, 20 procent van de bevolking.

“Dit is onmiskenbaar een verbetering”, geeft minister Pronk toe. “Maar ik herinner er nog maar eens aan dat de doelstelling was om honger en ondervoeding uit te bannen. En dat is niet gelukt.” Het voedselaanbod zegt bovendien niets over de verdeling en de feitelijke consumptie van het voedsel.

Als het aantal mensen dat ondervoed is in hetzelfde tempo blijft dalen, zullen er naar verwachting rond het jaar 2010 nog 730 miljoen mensen chronisch ondervoed zijn, waarvan ruim 300 miljoen in Afrika ten zuiden van de Sahara. De situatie in dit gebied is de afgelopen decennia verslechterd. De beschikbare hoeveelheid voedsel per hoofd van de bevolking is gedaald en het percentage chronisch ondervoede mensen steeg van 36 procent van de bevolking in 1969-1971 tot 41 procent in 1990-1992. Het absolute aantal steeg in diezelfde periode van 96 miljoen tot 204 miljoen mensen.

“Terug naar de realiteit”, is dan ook het motto van minister Pronk. Het garanderen van voedselzekerheid ofwel “toegang voor ieder mens te allen tijde tot kwantitatief en kwalitatief voldoende voedsel om een actief en gezond leven te kunnen leiden” blijft echter zijn uiteindelijke doelstelling. Om dit te bewerkstelligen, zal de voedselproduktie de komende dertig jaar moeten verdubbelen.

“De uitdaging is enorm”, aldus Pronk. Een verhoging van de voedselproduktie, een gelijkwaardiger verdeling van de voedselvoorraad en een economisch, ecologisch en sociaal duurzaam voedselbeleid zijn volgens hem de voorwaarden voor het garanderen van voldoende voedsel voor de wereldbevolking.

Minister Pronk formuleerde een aantal concrete voorstellen om de voedselnood op te lossen. Ten eerste toonde hij zich een voorstander van een voortzetting van de liberalisering van de wereldhandel. Anders dan in het verleden is gebeurd, moet volgens Pronk echter scherp worden gelet op de mogelijke negatieve effecten hiervan voor producenten en consumenten in ontwikkelingslanden.

Ten tweede meent de minister dat het vergroten van de voedselzekerheid in eerste instantie de verantwoordelijkheid blijft van de nationale overheid. Deze moet zorgen voor een gezond macro-economisch beleid en 'good governance', politieke stabiliteit. Verder moet de armoede- bestrijding volgens Pronk hoog op de agenda van de internationale gemeenschap blijven staan, omdat honger en armoede immers nauw aan elkaar zijn gerelateerd. Voor Nederland betekent dit het handhaven van de besteding van ten minste 0,8 procent van het bruto nationaal produkt aan ontwikkelingssamenwerking.

Ten slotte vindt Pronk dat de voedselproduktie moet worden verhoogd, zoveel mogelijk op lokaal niveau en op duurzame wijze. Als nevendoelstellingen meent Pronk dat de ontwikkelingslanden een effectief bevolkingsbeleid moeten voeren en dat het Westen de consumptie, bijvoorbeeld van vlees, moet verminderen. Deze en andere voorstellen zal Pronk samen met minister Van Aartsen (Landbouw) uitwerken in een 'Wereldvoedselvisie' en een instructie voor premier Kok voor de top in Rome.