Wet wijzigt machtsverdeling binnen universiteit

DEN HAAG, 16 OKT. Na een Kamerdebat in vier termijnen dat zich uitstrekte over een periode van zes weken, kan minister Ritzen (Onderwijs) zich opmaken voor de gedachtenwisseling met de Eerste Kamer over het wetsvoorstel Modernisering universitaire bestuursorganisatie (MUB).

Met de stemming over dit wetsontwerp heeft de Tweede Kamer gisteren het afscheid gemarkeerd van de WUB (Wet op de universitaire bestuurshervorming). Onder minister Veringa was die WUB in december 1970 met on-Nederlandse snelheid van kracht geworden na de beroering aan de universiteiten die was begonnen in Parijs, in mei 1968, en die daarna snel was overgesprongen naar Nederland.

In die roerige dagen werd een einde gemaakt aan de uitzonderlijke machtspositie van de hoogleraren. Zo kon een hoogleraar in de late jaren zestig nog plompverloren een volle collegezaal mededelen dat hij een half jaar op reis ging en dat derhalve alle met hem gemaakte afspraken waren vervallen.

De sterk in aantal toegenomen stafleden en studenten stonden klaar om anachronistische bestuurs- en machtsverhoudingen aan te vechten. De oplossing die deze naoorlogse generatie voor ogen stond, was radicaal. En haar eisen vonden gehoor bij de geschrokken regenten/politici. De universiteiten kregen een universiteitsraad en een faculteitsraad waarin de geledingen van niet-wetenschappelijk personeel, wetenschappelijk personeel en studenten het recht kregen om mee te besturen.

Die nieuwe bestuursstructuur heeft in de loop der jaren zeker geleid tot een grotere betrokkenheid van die geledingen bij het bestuur, en alleen een cynicus zal achteraf opmerken dat dit destijds precies de goede manier is geweest om de enorme toeloop naar de universiteiten op te vangen.

Allengs dreigden evenwel hevige en soms ook langdurige conflicten het bestuur te verlammen. Maar afgezien van de uitwassen die het altijd goed doen aan de borreltafel, zat toch ook her en der de sleet in de radicale bestuursvorm van 1970. De verkiezingen voor universiteits- en faculteitsraden bleken op den duur minder enthousiasme te wekken en het ging ook meer moeite kosten om kandidaten voor die raden te vinden.

Met de bestuursorganisatie die op grond van de MUB à la Ritzen straks vorm zal krijgen in nieuwe statuten en reglementen, zullen de machtsverhoudingen aan de universiteit ingrijpend veranderen. Het medebestuur van studenten en personeel wordt vervangen door vormen van inspraak en medezeggenschap, de vakgroep verliest zijn juridische status en aan het hoofd van de faculteit komt een decaan te staan met grote bevoegdheden.

Critici verwijten Ritzen dat hij dit, blijkens de naam van zijn wetsvoorstel, een modernisering noemt, terwijl het erop lijkt dat er vooral veel wordt teruggedraaid. Steen des aanstoots is daarbij de top-down-benadering. Van boven naar beneden wordt het bestuur gevormd door de nieuwe Raad van Toezicht, dan komt het College van Bestuur en daaraan weer ondergeschikt de machtige decaan, terwijl de universiteits- en faculteitsraden zijn 'gedegradeerd' tot organen van inspraak en medezeggenschap. Voor Ritzen, en ook voor de meerderheid van de Kamer, leidt het afscheid van het medebestuur van studenten en personeel tot een heldere organisatie waarbij op de verschillende bestuursniveaus de bevoegheden en verantwoordelijkheden voor onderzoek en onderwijs helder zijn vastgelegd. Niet langer zullen bestuurders zich achter anderen kunnen verschuilen.

Straks kunnen studenten en wetenschappelijk personeel op fifty-fifty basis zitting nemen in universiteits- en faculteitsraad, en een student kan ook deel uitmaken van het faculteitsbestuur. Dat laatste punt heeft in het Kamerdebat buitenproportioneel veel aandacht gekregen, wat bepaald werd versterkt door het fundamentele verschil van mening hierover tussen de coalitiepartners PvdA, VVD en D66. Op het laagste bestuursniveau, dat van het opleidingsbestuur, heeft de Kamer per amendement vastgelegd dat een student verplicht zitting zal hebben in dat bestuur.

Zal de universitaire gemeenschap uit de voeten kunnen met deze 'moderne' bestuursorganisatie? Hierbij dreigen twee gevaren. Bij het uitoefenen van hun bevoegdheden zullen de bestuurders de verleiding moeten weerstaan om te vervallen in ouderwets, autocratisch bestuur. De tijd dat stafleden en studenten straffeloos gekoeioneerd konden worden, is sinds 1968 definitief voorbij. Prof. J. Cohen, rector magnificus van de Universiteit Maastricht, heeft er met recht op gewezen dat het doordrukken van een besluit bij een eenvoudig meningsverschil wel een enkele keer kan, maar als je dat een tweede of derde keer probeert verzeil je gemakkelijk in een heuse bestuurscrisis. Verder zullen de bestuurders bij de concrete invulling van reglementen en statuten moeten voorkomen dat zij belanden in een twistzieke manier van werken.

Het besturen van een organisatie die bevolkt wordt door professionals, waartoe uitdrukkelijk ook de studenten behoren, verdraagt zich niet met een regime waarbij men elkaar voortdurend met regeltjes om de oren slaat en vervolgens naar een ombudsman of zelfs naar de rechter loopt om gelijk te krijgen. Het door de Kamer en de minister bij herhaling uitgesproken vertrouwen in de betrokkenheid van de studenten bij de bijzondere werkgemeenschap die een universiteit is, zal gestalte moeten krijgen in de praktijk van alledag.

Opmerkelijk is intussen dat de Kamer zich tot in detail heeft bezigghouden met de positie van de diverse geledingen, en dan vooral van die van de studenten, terwijl de nieuwe relatie tussen de overheid en de universiteiten sterk onderbelicht is gebleven. Onmiskenbaar komt de universiteit verder af te staan van de overheid, wat in de MUB overigens uitdrukkelijk is geregeld. Zo vormt de nieuwe Raad van Toezicht een soort trait-d'union tussen de minister en het College van Bestuur. Nu kan de minister nog direct het College van Bestuur aanspreken als hem iets op het hart ligt. Met de MUB is intussen niet het laatste stadium van de verzelfstandiging van de universiteiten vastgelegd.

Het Tweede-Kamerlid M. de Vries (VVD) heeft Ritzen tijdens het Kamerdebat gevraagd om een notitie over een verdere verzelfstandiging van de universiteiten. De bewindsman vroeg, en kreeg, hiervoor van de Kamer een bedenktijd van een half jaar. Hij wil hierover eerst uitvoerig overleg voeren met de universitaire gemeenschap.

Uit zijn eigen wetsvoorstel blijkt dat Ritzen er geen bezwaar tegen heeft dat de universiteiten meer armslag krijgen om, losser van de overheid, meer een eigen koers te gaan varen. Maar het gaat hem op dit moment duidelijk te ver om, met open ogen, zijn eigen verantwoordelijkheid te zien afkalven. Ritzen wees daarbij op de miljarden guldens uit 's rijks kas die jaarlijks naar de universiteiten vloeien.

Maar ook voor de minister lijkt wel vast te staan dat de MUB het niet zo lang, 26 jaar, zal uithouden als de WUB. In het Kamerdebat kwam hij met een ontboezeming: “Ik zal in 2022, als deze wet veranderd wordt, niet piepen. Ik zal niet zeggen, jee, ze komen aan mijn kindje. Ik ga er namelijk van uit dat dit misschien wel eens eerder zou kunnen gebeuren.”