'Stadsprovincie maakt bestuur niet effectiever'; Commissaris Leemhuis wenst geen nieuwe bestuursvorm

DEN HAAG, 16 OKT.Over twee weken wordt het advies van de commissie-Andriessen verwacht over het wel of niet doorgaan van de stadsprovincie. Als het aan de commissaris van de koningin in Zuid-Holland ligt, komen er definitief geen stadsprovincies voor de regio's Rotterdam en Den Haag.

“Ik heb geen extra bestuursvorm nodig”, zegt J.M. Leemhuis-Stout. Ze hoopt dat de commissie onder voorzitterschap van voormalig EU-commissaris Andriessen binnenkort in haar advies over nieuwe bestuursvormen kiest voor een pragmatische bestuursstructuur “die draagvlak heeft vanuit de vraagstukken die we met elkaar willen oplossen”. De provincie Zuid-Holland vindt hechtere vormen van samenwerking tussen de bestuurslagen wel nodig. Ook zijn de provinciale bestuurders bereid mee te denken over de vorming van deelprovincies of een territoriale commissie binnen de provincie Zuid-Holland. En gemeenten zoals Den Haag die kampen met grote ruimtenood, kunnen gebaat zijn bij grenscorrecties. Maar een stadsprovincie maakt het bestuur er niet effectiever op, zo is de overtuiging van Leemhuis.

Natuurlijk, zegt de commissaris, is het niet onbegrijpelijk dat er in het verleden over stadsprovincies is nagedacht. De provincies zijn volgens haar lange tijd niet daadkrachtig geweest. “De provincies hebben steken laten vallen.” De grote steden in Nederland begonnen buiten de provincies om met het Rijk te onderhandelen, iets wat volgens de commissaris door het Rijk werd aangemoedigd want “ook het rijk heeft de provincies weleens uit beeld laten verdwijnen”.

Maar, zegt Leemhuis, de provincies in Nederland hebben geleerd van de discussie over de stadsprovincies. Ze zijn daadkrachtiger geworden. “Ons zelfbewustzijn is aangewakkerd. Als wij het zelfbewustzijn dat wij nu aan de dag leggen vier jaar geleden hadden gehad, dan was het niet tot een wetsvoorstel voor een stadsprovincie gekomen.” Leemhuis ziet voor de provincie vooral een rol om “mensen bij elkaar aan tafel te krijgen”. Als voorbeeld uit eigen kring noemt zij het door gemeenten, provincie en rijk ondertekende contract voor de aanleg van de noordelijke randweg van Den Haag, een kwestie die tientallen jaren heeft gesleept, en een vergevorderd overleg tussen verschillende overheden over de vestiging van een waterzuiveringsinstallatie in de Harnaschpolder bij Schipluiden in het Westland. Leemhuis: “Gemeenten en andere partijen probeerden in dat overleg elkaar voortdurend vliegen af te vangen. Die situatie vroeg er om dat je alle betrokkenen gewoon nou eens in een hok bij elkaar stopte en als het ware pas weer vrijliet als er witte rook uitkwam.”

De Zuid-Hollandse commissaris constateert dat de Randstad voor veel mensen aantrekkelijk is en blijft, ondanks het ruimtegebrek, de files en de teruglopende werkgelegenheid in het zuidelijke deel. Leemhuis: “Ik ben zelf vaak verhuisd in mijn leven. Ik woon nu in Rotterdam en wie weet waar ik straks weer kom te wonen. Maar zeg niet tegen randstedelingen: ga jij maar in Smilde wonen of in Tietjerksteradeel, want dat vinden ze aan het andere einde van de wereld. Waarschijnlijk ziet het er als je uit je huis naar buiten kijkt in Tytsjerksteradiel precies hetzelfde uit als in Noorden of Nieuwkoop. Maar het is het idee: ik zit hier in de Randstad, hier gebeurt het en hier wil ik bij horen.”

Ook bedrijven willen meestal niets liever dan in de Randstad zitten. Veel bedrijven willen zich bij de “mainports” Amsterdam en Rotterdam vestigen, bij voorkeur aan de zogeheten A4-corridor. “Het internationale bedrijfsleven trekt graag de lijn van Schiphol via Rotterdam naar Antwerpen”, zegt Leemhuis. Daar zijn echter te weinig bedrijfsterreinen en ook de files eisen hun tol. Veel bedrijven trekken daarom, noodgedwongen, weg.

Om de blijvende interesse van bedrijven en huizenzoekers te kunnen beantwoorden, is het zoeken naar meer ruimte bittere noodzaak. Leemhuis noemt als de twee belangrijkste oplossingen de aanleg van een tweede Maasvlakte (“De studie daarnaar is niet voor niets begonnen”) en de aanleg van een kustlocatie tussen Den Haag en Hoek van Holland (“Ons college is daar voorstander van”), met ruimte voor woningen, recreatie en glastuinbouw. In het Westland zou mogelijk door het 'uitplaatsen' van de glastuinbouw ruimte voor woningbouw kunnen worden gemaakt, maar eigenlijk is dit alleen van betekenis “als je het gehele Westlandcomplex, inclusief toeleveringsbedrijven verplaatst naar een gebied in Nederland waar het aanzienlijk minder druk is”. Maar dat ziet ze niet zo gauw gebeuren. “Mensen laten zich niet in hun nekvel grijpen om naar Groningen te worden verplaatst.”

Het zoeken naar extra ruimte is in Zuid-Holland des te meer noodzakelijk, zegt Leemhuis, doordat is afgesproken het Groene Hart slechts spaarzaam te bebouwen. “In het Groene Hart hebben we nog niet eens genoeg ruimte om aan de vraag van de eigen bevolking naar woningen te kunnen voldoen. Dan hebben we het dus niet over import of over de mensen die leuk buiten willen gaan wonen in hun verbouwde boerderijtje.”

Leemhuis ziet het als haar belangrijkste taak om vóór de eeuwwisseling het “verstoorde” evenwicht in Zuid-Holland tussen wonen, werken en recreëren enigszins te hebben hersteld. Leemhuis: “En dan valt onder recreëren voor mij ook de cultuurbeleving. Dat is niet alleen een balletje slaan op een tennisveld. En ook niet alleen barbecuen in het Zuiderpark. Recreëren is ook een bezoek aan Gouda of Dordrecht. Naar het toneel en naar het theater. Het gaat er om die zaken bij elkaar te brengen.”