La Louvière vreest cultuur van Hoogovens

LA LOUVIÈRE, 16 OKT. Burgemeester Michel Debauque van La Louvière, gelegen in het hart van Wallonië, is een geplaagd mens. Sinds Koninklijke Hoogovens heeft laten weten een joint venture te overwegen met het verlieslijdende staalbedrijf Usines Gustave Boël in zijn gemeente, bestaat de economische toekomst van La Louvière voor hem nog louter uit vraagtekens. “Waar ligt IJmuiden eigenlijk”, vraagt hij. “Boven Den Helder toch? En kunt u mij zeggen hoe ze daar tegen Walen aankijken?”

De burgemeester is niet blij met de komst van Hoogovens. “Hoogovens is niet meer dan een naam voor ons, niemand weet wat Hoogovens precies is.

Wie is de eigenaar? Een machtige familie, net als bij Boël? Of is het een staatsbedrijf? Ik heb ook gehoord dat de koninklijke familie gedeeltelijk eigenaar is.” Tijd om even een telefoontje te plegen naar IJmuiden en tekst en uitleg te vragen, heeft hij nog niet gehad, vertelt de burgemeester. “We weten het amper veertien dagen.” Bovendien heeft de burgemeester nog stille hoop dat zich een Waalse redder voor Boël meldt. “Dan weet je tenminste wie je voor je hebt.”

Het nieuws dat een buitenlands staalbedrijf mogelijk een stevige vinger in de pap krijgt bij Boël, is hard aangekomen in La Louvière, een grauw dorp tussen Charleroi en Mons, dat zich sinds de samenvoeging van elf gemeenten een middelgroot stadje (77.000 inwoners) mag noemen. Hoewel de leden van de Hoogovens-delegatie welwillend worden omschreven als sympa, zijn de vooroordelen jegens het Nederlandse staalbedrijf niet van de lucht. “Dit gaat zes- à zevenhonderd banen kosten”, voorspelt Roger Leclercq, bij Boël vertegenwoordiger van de Fédération Générale des Travailleurs de Belgique, de machtigste vakbond in Wallonië.

,De familie Boël zal zich binnen enkele jaren terugtrekken en dan krijgt Hoogovens het voor het zeggen. Dan krijgen we hier dezelfde Angelsaksische cultuur als in IJmuiden.” En die is keihard, weet Leclercq. “Als ze bij Hoogovens met overcapaciteit kampen, worden de werknemers met duizenden tegelijk ontslagen.

Bovendien schijnen ze oudere werknemers makkelijk te vervangen door jongeren. En wie zegt dat Hoogovens wil investeren in Boël?''

Hoogovens papt alleen maar aan met Boël omdat het bedrijf geïnteresseerd is in de drie Boël-vestigingen in Frankrijk, luidt de theorie van Leclercq, die spreekt van een “ongekende sociale catastrofe”. “Hoogovens wil samenwerken met Boël omdat het dan toegang krijgt tot de Franse markt. Op den duur zullen ze alleen in de Franse vestigingen investeren en stoten ze de rest van Boël af. Ze gaan er met de familiejuwelen vandoor.”

Boël, de enige Belgische staalfabriek die nog volledig in particuliere handen is, is ten dode opgeschreven als het bedrijf niet snel een partner vindt of steun ontvangt van de Waalse regering. De eigenaren, de machtige familie Boël, hebben te kennen gegeven geen cent meer te willen investeren in het complex aan de rand van La Louvière. De Boëls, bestaande uit een ingewikkeld netwerk van kleinzoons, neven en broers, willen van de weinig lucratieve staalproduktie af en zich richten op hun vele andere economische activiteiten, variërend van olie tot vastgoed en van supermarkten tot financiën.

De familie Boël, die geldt als een van de machtigste van België, staat lokaal bekend als arrogant en uiterst gesloten.

“Ze gedragen zich als feodale heren”, zegt een ingewijde. Het verhaal wil dat de vorige topman, Jacques Boël, enkele malen per jaar uit zijn naast het staalcomplex gelegen château afdaalde en zich in overall hees om zijn arbeiders de hand te schudden.

De familie, wier kapitaal wordt geschat op minimaal 50 miljard frank (2,5 miljard gulden), bezit duizenden huizen in de regio en vele hectaren grond. Wie een lid van de familie aan de lijn wil krijgen, is dagen bezig. Pers wordt sowieso niet ontvangen. Sinds de grote staking van 1994 is de familie iets milder geworden, grapt men in La Louvière. “Ze hebben nu een pr-bureau om mensen buiten te houden.”

La Louvière leunt zwaar op de staalfabriek, ook al is de tijd voorbij dat Boël verreweg de grootste werkgever in de wijde omgeving was: een vijfde van de bevolking is tegenwoordig direct of indirect afhankelijk van de werkgelegenheid bij Boël, dat onder meer warm- en koudgewalst staal, walsdraad en draadprodukten maakt.

Wie niet betrokken is bij het bedrijf, voelt de aanhoudende ontslagrondes en de afnemende koopkracht - de laatste drie jaar werden werden 800 van de 2.500 werknemers op straat gezet - wel in zijn portemonnee. De plaatselijke garagehouder verkoopt nog maar half zoveel auto's als een paar jaar terug en duurdere kledingzaken en cadeaushops hebben de deuren moeten sluiten.

Bijna huis-aan-huis hangen posters ter herdenking aan Julie en Melissa, twee slachtoffers van Marc Dutroux. Sars-la-Buissière, waar zij werden gevonden, ligt op slechts 20 kilometer van La Louvière.

Pagina 18: In Le Centre heerst economische afbraak

De streek ademt de sfeer van economische onttakeling. Hoewel de wethouder van economische zaken, Gilbert Vandeworde, zich had gehaast te zeggen dat La Louvière níet in de Borinage ligt - synoniem voor massale werkloosheid en een door mijnbouw verwoest, sinister landschap - is de situatie in Le Centre niet veel florissanter, erkent men in het gemeentehuis. Wie per trein van Brussel naar Mons reist, ontwaart honderden in ongebruik geraakte fabriekshallen, met ingestorte daken en gesneuvelde ruiten, wachtend op de slopershamer. Immense slakkenhopen en steenmassa's herinneren aan het mijnbouwverleden van de streek. Wellicht bij gebrek aan beter zijn enkele van deze terrils uitgeroepen tot natuurmonument, wegens de bijzondere flora en fauna die zich hier heeft ontwikkeld. De asfaltering van een van de doorgaande wegen in La Louvière, de Rue Gustave Boël, enkele weken geleden nog een hobbelweg met kinderkopjes, geldt in deze contreien nog als een vermeldenswaardig feit. Alleen het Canal du Centre ligt er op een herfstdag verstild en fotogeniek bij.

De regio rond La Louvière, ooit een van de toonaangevende kolen- en staalcentra van Europa, heeft de afgelopen decennia klap op klap gehad. De mijnen zijn dicht en de staalfabrieken die nog open zijn, zijn zonder uitzondering noodlijdend. Van de ooit oververtegenwoordigde zware industrie zijn alleen de aardewerkfabriek van Boch (700 werknemers) en de treinchassis-fabriek van Brugeoise & Nivelles nog over, producenten die ooit in de regio neerstreken wegens de aanwezigheid van kolen, een goedkope energiebron.

Hoewel Le Centre de komende zes jaar 5 miljard gulden steun krijgt van de Europese Commissie - onder meer bedoeld voor de ontwikeling van het toerisme in de regio - en menig Europese regio jaloers zou zijn op de centrale ligging van het gebied, wil het met de economische opbouw van dit deel van Wallonië niet vlotten. De weinige investeerders die de streek aandoen, leveren wel geld op, maar nauwelijks banen, klaagt wethouder Vandeworde. “Ze brengen vooral machines mee.”

Men weet in La Louvière wel zo'n beetje waarom het gebied niet erg in trek is bij investeerders. De Waalse arbeiders zijn niet echt goedkoop, de vakbonden zijn uiterst machtig en het nabijgelegen Noord-Frankrijk, dat zich kan beroemen op de TGV, de Kanaaltunnel en een opgekalefaterd Lille, trekt hard aan investeerders. De schaarse multinationals die zich in Le Centre vestigen, zijn doorgaans weer snel verdwenen. “Ze pikken de subsidie in, werven Belgische klanten en vertrekken naar Frankrijk”, aldus wethouder Vandeworde. Ze hebben het gezien met de Vlaamse enveloppenfabrikant Elep, dat soortgenoot Envelco in het Waalse Soignies opkocht. Kort na de aankoop werd alles naar Vlaanderen overgebracht. Ze hebben het ook gezien met Champion, een bougiefabrikant. Kort nadat het bedrijf was overgenomen door een Britse ondernemer werd de hele handel naar Groot-Brittannië verplaatst. Ook Chevron en het Britse autobedrijf BMC vertrokken na verloop van tijd. Hoogovens zal dezelfde truc uithalen, daar is men in La Louvière min of meer van overtuigd.

Alleen burgemeester Debauque tracht een optimistisch verhaal naar buiten te brengen. “De regio heeft de grootste klappen achter de rug. De werkloosheid ligt nu stabiel rond de 25 procent. Zelfs als er zevenhonderd banen verdwijnen bij Boël, blijven er nog duizend over.” De burgemeester is zes jaar geleden persoonlijk in Japan geweest om bedrijven aldaar over te halen zich te vestigen in La Louvière. “De meesten hadden nog nooit van Belgie gehoord”, herinnert hij zich. Bovendien was er in een Japans bedrijf in Mons net een staking uitgebroken, wat de investeringsdrang van de Japanners ook niet bepaald ten goede kwam. Om over de taalproblemen maar te zwijgen. “Maar ook Brussel treft blaam”, aldus Debauque. “Door de bureaucratie duurt het maanden voordat een investeerder zijn subsidie binnen heeft. Alles gaat hier tergend langzaam.”

In La Louvière weten ze een beter alternatief voor Boël dan een 'redder' uit Nederland: hulp van de Waalse regering. “Ze steken ook geld in de andere twee staalfabrieken in Wallonië, Forges de Clabecq en Cockerill Sambre (die voor het grootste deel eigendom zijn van de Staat, red.), dus waarom niet in Boël”, vraagt wethouder Vandeworde zich hardop af. Als we hulp krijgen van de regering verdwijnt er weliswaar ook werkgelegenheid, maar dan vallen er geen gedwongen ontslagen.” Niemand hoeft vakbondsman Leclercq te vertellen hoe de toekomst van Boël er uitziet als Hoogovens komt: “De laatste, kolengestookte hoogoven zal worden gesloten en de drie converters en de continu-gietmachines zullen worden afgestoten. Over een paar jaar zal een van de walsstraten worden gesloten en op de nog langere termijn zal ook de elektro-oven worden afgestoten. Hier in La Louvière zal nauwelijks werk overblijven. Driehonderdvijftig, vierhonderd banen, hooguit. Maar Hoogovens heeft het lesje goed uit zijn hoofd geleerd, sneert hij. “Hoogovens erkent dat er banen verdwijnen, maar durven geen ontslagen aan te kondigen. Ze weten dat dan de pleuris uitbreekt.”

Hoogovens laat weten het nog te vroeg te vinden voor commentaar, maar geeft toe dat het met name is geinteresseerd in de walserij van Boël. Als Hoogovens ons investeringen en werkgelegenheid zou garanderen, zouden we veel minder moeite met dit bedrijf hebben, verzekert Leclercq. Rond de jaarwisseling heeft Hoogovens het onderzoek naar het bedrijf afgerond en valt er een beslissing over de joint venture. Hoogovens zelf acht de kans dat de samenwerking doorgaat groot. Vakbondsman Leclercq niet. “Als het besluit gevallen is, zal het personeel zich uitspreken. Als de samenwerking doorgaat, volgen er stakingen.” De vorige staking duurde 74 dagen”, voegt hij er aan toe.