Kinderen leren kritisch kastje kijken

Televisie, kinderen en ouders; Stichting Jeugdinformatie Nederland, Utrecht, f 8,00.

Vervaarlijk zwaait de driejarige Alexander met zijn armpjes en schreeuwt: “Tyrannosaurus power!” Hij is fan van de Power Rangers, een kinderserie waarin de hoofdpersonen transformeren tot robotten met prehistorische krachten. Zijn ouders zien het met gemengde gevoelens aan; van moeder mag hij niet kijken en van vader wel. Over dit soort problemen van 'televisie-opvoeding' gaat de onlangs verschenen brochure Televisie, kinderen en ouders van de stichting Jeugdinformatie Nederland.

Ook de lusten van het televisie kijken komen aan bod. In een soms wat infantiele stijl wordt benadrukt dat er 'op zich niks mis mee' is als kinderen zich laten vermaken door spannende of grappige programma's. De tv biedt informatie, stof tot 'meepraten' en kan leiden tot gezelligheid (als een gezin met zijn allen kijkt). Benadrukt wordt dat er nauwelijks verschil is in de motivatie van kinderen en volwassenen om het toestel aan te zetten, maar dat de beleving van wat er te zien is wel sterk afwijkt. Uit diverse onderzoeken is in de loop van de tijd gebleken dat het voor kinderen van twee tot vijf jaar moeilijk te begrijpen is waarom mensen op tv boos, bang of verdrietig zijn. Het tempo van het 'televisieverhaal' ligt vaak te hoog voor hen, in tegenstelling tot dat van een voorleesverhaal. Bovendien snappen ze nog niet dat er geen echte mensen in het kastje zitten en dat maakt al snel dat ze het eng vinden. Ouders moeten opletten of hun kroost misschien met hun vingers zit te friemelen; een signaal dat het te griezelig wordt.

Op latere leeftijd, van zes tot negen, zouden kinderen beter door hebben dat de vertoonde beelden in films en series niet echt zijn, maar bijvoorbeeld reclames worden even reëel ervaren als het Jeugdjournaal. Vanaf hun negende kunnen ze de spotjes beter relativeren. Ouders en onderwijzers kunnen kinderen aanleren kritisch te kijken; als voorbeeld wordt genoemd het praten over rolpatronen in reclames. Dat heeft iets braafs en opgelegds, net als de opmerking bij het stukje dat aan soaps is gewijd: 'Bovendien bestaan er in het echt bijvoorbeeld veel meer 'gewone' beroepen of mensen met handicaps dan je ooit in een soap zult zien.' Misschien is het wel nuttig hierop te wijzen, maar dan zou ook weer niet vergeten moeten worden dat het gewone leven in de regel toch een wat minder grote opeenstapeling van ellende is.

In de brochure staan diverse tips, waarvan een deel meer een statement dat een advies is. 'Ouders zijn de enige echte experts als het gaat over hun eigen kinderen en de televisie in huis,' staat er dan, of: 'Geen enkele familie en geen enkel kind is hetzelfde. Daarom moet elk gezin zelf beslissen hoe er met de televisie wordt omgegaan.' Dat is ongetwijfeld waar, waardoor delen van het gidsje een wat overbodige indruk maken. Het meest expliciet is het hoofdstuk over geweld op de televisie. Het is wel nuttig eens te lezen dat uit onderzoek is gebleken dat kinderen door het zien van geweld agressiever worden, als het tenminste geloofwaardig gepresenteerd wordt. Een tekenfilm als Tom en Jerry wordt herkend als niet echt, bij politieseries ligt dat moeilijker. En hoe het precies met de Power Rangers-manie van Alexander zit, zullen zijn ouders uiteindelijk zelf moeten bedenken.