Kerkrade is nog niet van 'de Domaniale' af

Bijna dertig jaar geleden werden de laatste kolen gedolven in 'de Domaniale', een kolenmijn in en rond Kerkrade. Maar de onderneming is nog steeds niet geliquideerd. En in Kerkrade vrezen sommige inwoners opnieuw 'mijnschade' aan woningen, hoewel oud-directeur Jochems verzekert dat alle schade al in 1994 is afgewikkeld. De rijksdienst Staatstoezicht op de Mijnen maakt zich zorgen over grondwater. “Als de drainagegalerijen uit vroeger eeuwen niet meer intact zijn, zullen we eeuwig moeten pompen.”

Meer dan twintig jaar nadat in Zuid-Limburg het laatste mudje steenkool uit vaderlandse bodem is gehaald, bestaan de vijf ondernemingen die kolen hebben gedolven nog steeds. Drie daarvan, De Staatsmijnen, Oranje-Nassau Mijnen BV en Laura & Vereeniging zijn een nieuw bestaan begonnen als chemiereus, beleggings- of handelsmaatschappij. De andere twee hebben een vrijwillige dood verkozen, maar hun pogingen om hun leven te beëindigen stuiten op juridische adders die in de mijngangen zijn blijven hangen.

Wie ooit een mijn heeft geëxploiteerd, komt er niet zomaar vanaf. Dat ondervonden vijf jaar geleden al de Belgische baronnen Boël, toen zij hun concessie voor de mijn Willem-Sophia probeerden terug te geven aan de Nederlandse staat. Die bedankte de baronnen vriendelijk voor het aanbod en verwees hen naar een vereffenaar.

De Willem-Sophia is in liquidatie, maar ook die status biedt geen garantie voor een spoedig einde. Vorige week beschikte de rechtbank in Maastricht negatief op een faillissementsaanvraag van de oudste mijnonderneming in Nederland, de NV in liquidatie Domaniale Mijn Maatschappij in Heerlen. Een zinloze onderneming zonder inkomsten en met een schuld van 125 miljoen gulden. Maar de rechtbank hield star vast aan het principe dat er voor een faillissement meer dan één schuldeiser nodig is, ook al is in het geval van de Domaniale de enige schuldeiser dezelfde als de enige aandeelhouder, namelijk de Staat der Nederlanden, die nog wel zo netjes is geweest er zelf voor te zorgen dat zij als enige schuldeiser overbleef. Maar als ze een einde wil maken aan de onderneming, moeten de vereffenaar en zijn advocaten maar een andere weg kiezen dan een faillissement, vindt de rechtbank.

De mislukte faillissementsaanvraag heeft in Kerkrade een oude angst van omwonenden wakker geschud, de angst voor mijnschade. Wie zegt dat er niet een oude mijngang instort die de muren in huis doet scheuren en wie betaalt dan de schade als de mijnmaatschappij is geliquideerd?

De Domaniale, zoals de Kerkraadse mijn in de volksmond heette, is de maatschappij die het kolenveld heeft geëxploiteerd dat zich uitstrekte van de Molenbeek ten westen van Kerkrade tot aan het riviertje de Worm in Duitsland. Historici beweren dat dit veld de bakermat is van de Europese kolenwinning. Rond 1100 zouden herders ontdekt hebben dat de zwarte aarde die hier aan de oppervlakte kwam, tot ontbranding kwam als ze er een vuurtje op stookten. Hier ontstonden in de Middeleeuwen ook de Köhlersociëteiten, coöperaties van grondeigenaren die kolen uit hun ondergrond haalden. Nog later, in de achttiende eeuw, vormde de kolenwinning de voornaamste bron van inkomsten van de abdij van Kloosterrade, later Rolduc, die destijds de grootste grondbezitter van de omgeving was. Het delven van de steenkool was hier niet al te moeilijk en kon zelfs grotendeels in dagbouw geschieden. En omdat het riviertje de Worm lager in het dal lag, kon het mijnwater gemakkelijk worden afgevoerd.

In 1810 voerden de Franse bezetters de nog steeds geldende Mijnwet in, waarin werd bepaald dat de eigendom van dieper gelegen bodemschatten toekwam aan de staat, die vervolgens concessies verleende aan wie er brood in zag het zwarte goud naar boven te halen. De belangstelling bleef gering tot aan de opkomst van de spoorwegen en de industrie. De Nederlandse staat had zelf de concessie voor het mijnveld Domaniale, zoals de Fransen het genoemd hadden, en legde er de Willem I-schacht aan. Een ideale gelegenheid om van die zorg af te komen was de aanvraag van de Akens-Maastrichtse Spoorwegmaatschappij in 1845 om hoofdzakelijk met Duits kapitaal een spoorlijn tussen de twee steden te mogen aanleggen en exploiteren. De spoorwegmaatschappij kreeg de vergunning op voorwaarde dat zij het spoor zou doortrekken tot aan de mijn en dat zij zelf de exploitatie van de mijn op zich nam. Daardoor ontstond de unieke situatie dat de staat de concessie hield en de exploitatie verpachtte. De andere particuliere mijnen die aan het einde van de eeuw werden gesticht, waren exploitant èn concessiehouder.

Kort na de Eerste Wereldoorlog kwamen de aandelen van de Domaniale in Nederlandse handen. De Rotterdamse steenkolenhandelaar Sir William van der Vorm kon zich er vanaf dat moment op beroemen dat hij steenkolen uit zijn eigen mijn verkocht. Zijn hoofdonderneming, de Scheepvaart- en Steenkolenmaatschappij, werd later een stille dochter van de Steenkolen Handelsvereniging. De Domaniale Mijn Maatschappij bleef tot 1966 voor tachtig procent in handen van de familie Van der Vorm. Nog geen half jaar nadat minister Den Uyl het einde van de steenkolenwinning had aangekondigd en een fatsoenlijke afwikkeling had beloofd, wilde de eigenaar de Domaniale sluiten. Dat werd voorkomen door de overheid, die de 4.000 aandelen van de familie Van der Vorm overnam en de 1.499 aandelen van de overige aandeelhouders. Eén aandeel is nog steeds zoek. De staat betaalde per Dominale-aandeel 200 gulden, de helft van de nominale waarde.

De afwikkeling van de Domaniale kon beginnen. Met leningen van de staat kregen de 2.400 werknemers een afvloeiingsregeling en werden de terreinen gesaneerd. Op de steenkolen was toen al jaren niets meer te verdienen. Het winnen van een ton steenkool kostte 55 gulden, terwijl buitenlandse steenkool voor 35 gulden te koop was. Om nog enigszins te kunnen concurreren werd de Limburgse steenkool voor 45 gulden verkocht. Toen in 1974 de op één na laatste werknemer werd ontslagen, waren de geleende saneringskosten opgelopen tot 30 miljoen.

In 1971 werd dr. D.B. Jochems, die werkzaam was bij de Staatsmijnen, tot directeur van de Domaniale benoemd. “We dachten dat de afwikkeling binnen een paar jaar rond zou zijn, maar intussen ben ik er al vijfentwintig jaar mee bezig en zijn we er nog steeds niet uit, zegt de nu 68-jarige Jochems, die sinds 1977 als 'liquididateur' een einde probeert te maken aan de onderneming. Zijn voornaamste werk bestond uit het afwikkelen van alle vorderingen op het bedrijf. Na de afvloeiing van het personeel waren dat vooral de mijnschadeclaims. Enkele van die claims zijn uitgemond in slepende procedures, zodat pas in 1994 de laatste schade kon worden afgewikkeld. “Ik heb met alle huiseigenaren in Kerkrade een regeling getroffen om alle bestaande schade te regelen en alle claims voor de toekomst af te kopen”, verzekert hij.

Toch zijn er de laatste weken weer klachten binnengekomen van mensen die ineens een gescheurde of verzakte muur ontdekken, maar die zijn volgens Jochems niet serieus te nemen: “Er hebben berichten over de liquidatie van de Domaniale in de krant gestaan en dan proberen sommigen het nog even. Ik heb al die claims afgewezen en ook de speciale commissie waarbij men in beroep kan gaan heeft de claims ongegrond verklaard. Het gaat steeds om achterstallig onderhoud of om oude schade, waarvoor vroeger al is betaald. De eigenaar heeft blijkbaar het geld aan iets anders besteed.

En als er toch nog onverhoopt iets mocht gebeuren, dan zou de staat aansprakelijk gesteld moeten worden, meent Jochems: “De Domaniale verkeert in de unieke positie dat ze alleen pachter is geweest van de expolitatie, maar de Staat der Nederlanden is en blijft concessiehouder met alle verplichtingen van dien. Bovendien is voor ons de aansprakelijkheidstermijn verjaard. Er worden al meer dan twintig jaar geen activiteiten meer uitgevoerd die schade kunnen veroorzaken. Toch moet zowel Jochems als een van de advocaten van de Domaniale, mr. H. Dresschers, erkennen dat de deskundigen het niet eens zijn. De wet geeft niet duidelijk aan op welk moment de verjaring begint te lopen, op het moment dat de schadeveroorzakende activiteit wordt uitgevoerd of op het moment dat de schade ontstaat.

Niettemin acht Jochems het uitgesloten dat er huiseigenaren in de kou komen te staan als de Domaniale ophoudt te bestaan. Daarmee wil hij de ongerustheid wegnemen die onder meer blijkt uit vragen van het GroenLinks-Kamerlid Rabbae, die van de regering wil weten hoe het zit met eventuele schadegevallen die zich na de liquidatie zullen voordoen. Behalve de verjaring en de afkoopregelingen zijn er volgens Jochems ook nog de metingen van de rijksdienst Staatstoezicht op de Mijnen, die de bevolking gerust moeten stellen. Hoofdinspecteur ir. J. Pöttgens van de dienst bevestigt dat de bodem in het veld van de Domaniale tot rust is gekomen en dat zich geen nieuwe verzakkingen meer voordoen. “De bodem is hier de laatste twintig jaar door stijgend mijnwater nog twee centimeter omhoog gekomen, maar dat heeft weinig te betekenen, als het maar geleidelijk gebeurt. In Brunssum hebben we zelfs een stijging van 25 centimeter gemeten, maar daar is ook niets gebeurd. Ik heb gisteren nog een melding van mijnschade binnengekregen, maar je kunt ervan uitgaan dat die niets met de mijn te maken heeft. Het is al vele, vele jaren geleden dat wij de laatste claim hebben gehonoreerd.

Toch blijft er nog een belangrijk punt van zorg over voor de rijksdienst. In de loop der eeuwen zijn in de omgeving van Rolduc tal van grote en kleine schachten met zijgangen gegraven en weer dichtgegooid. Nu de grote mijnen aan de Nederlandse en vooral aan de Duitse kant (de mijnen van de Eschweiler Bergwerk Verein) van de grens worden verlaten, kunnen de pompen die de gangen droog hebben gehouden, niet zonder meer stil worden gezet. Het stijgende grondwater zou dan het vulmateriaal kunnen wegspoelen, waardoor verzakkingen kunnen ontstaan. Aan Nederlandse kant zijn 50 van die schachten bekend, aan Duitse kant 850. “Als je daar ineens niet meer zou pompen, loop je het risico dat er ineens een gat in de speelplaats van een school valt, zegt hoofdinspecteur Pöttgens. Enkele jaren geleden moest in Kerkrade de lang verlaten Catharina-schacht met een cementoplossing worden versterkt omdat daar uitspoeling van de schachtbodem dreigde.

Momenteel loopt er een Duits-Nederlands onderzoek naar de vraag of de speciale drainagegalerijen die in vroeger eeuwen zijn aangelegd om mijnwater naar de Worm af te voeren nog intact zijn. “Als dat niet zo is, zullen we eeuwig moeten pompen.”