Flappen trekken

Twee jaar geleden beleefden de Verenigde Staten de finale van een felle verkiezingscampagne. De revolutie van de nieuwe Republikeinen onder het leiderschap van Newt Gingrich leek onstuitbaar in opmars. Het ging tegen de 'arrogantie van Washington', de macht van het centrale gezag en de schandalen, de slapte en de verwarring die het presidentschap van Clinton zouden kenmerken.

De revolutie is geslaagd, de Republikeinen hebben de meerderheid in het Huis van Afgevaardigden en de Senaat, het 'Contract met Amerika', het revolutionaire programma van Gingrich, is goeddeels uitgevoerd, theoretisch gezien zou de partij er uitstekend voor moeten staan, maar intussen is het vrijwel zeker dat de president van de 'tegencultuur' zal worden herkozen. Een politiek mirakel, bewerkstelligd door de come-back kid, een reeks stommiteiten van zijn tegenstanders, een verkeerde kandidaat, een sluw politiek plagiaat van de Democraten op kosten van de Republikeinse middenmoot, van alles wat? Of heeft de zittende partij haar comfortabele positie te danken aan de economische conjunctuur, de groei van de werkgelegenheid, stijging van de inkomens in de middengroepen - en op de achtergrond het gebrek aan dringende internationale vraagstukken?

De toestand doet wat denken aan die van op het einde van de jaren vijftig, toen de moderne welvaart West-Europa had bereikt en zich had gevestigd. De Duitse en Britse conservatieven voerden hun verkiezingscampagnes onder de leuzen Keine Experimente en You've never had it so good. In Amerika is het verschil dat de partij die vroeger min of meer tot de linkerzijde werd gerekend, zich met deze boodschap tot de kiezers richt, en dat de rechterzijde die zich erop beroept, de oude waarden en het individualisme te verdedigen, daarmee niet meer dan een publicitair aangewakkerd brandje weet te stichten. Het politiek bewuste volk dat aan de verkiezingen meedoet, heeft in grote trekken al wat het wil hebben, en als het behoud daarvan door de zittende machten wordt verzekerd, zal het deze kiezers geen bijzondere zorg zijn of de garantie van links of van rechts komt. Opnieuw vermogen de nominale tegenstellingen niet het denkend en bezittend deel van het volk in opwinding te brengen. Deze presidentscampagne hoort tot de saaiste van na de oorlog.

Vorige week heb ik hier een stukje geschreven over het in 1958 verschenen boek van Michael Young, The Rise of Meritocracy. Van onverdacht geleerde zijde is me verweten dat ik aan de redenering die aan deze satire ten grondslag ligt, een verkeerde uitleg heb gegeven. Een meritocratie omvat immers de hele maatschappij, en kan niet, zoals ik had geschreven, maar tot de helft of driekwart beperkt blijven. Degenen die aan de onderkant leven, horen er ook toe, of ze willen of niet, namelijk door hun gebrek aan datgene wat in deze maatschappij als verdienste wordt beschouwd: de intelligentie die door opleiding tot maatschappelijke weerbaarheid is geworden. Wie gebrek aan die intelligentie heeft, kan ook niet zo'n weerbaarheid bereiken en is dus van nature gedoemd tot een nederig bestaan, op z'n zachtst gezegd.

Dat is waar. Maar Michael Young heeft een absolute meritocratie beschreven - anders zou het ook geen satire zijn geworden - en wat de Westerse democratieën nu proberen is, een politiek te voeren waarin van twee wallen wordt gegeten. Aan de ene kant worden intelligentie, energie en ambitie beloond met groter welstand, mits die drie door een lange en kostbare opleiding 'exploitabel' kunnen worden gemaakt. Aan de andere kant: wie niet in deze laatste omstandigheid is, kan verstand hebben zoveel hij wil, maar bij gebrek aan opvoeding en opleiding zal dat niet helpen. Niettemin is hem volgens de plechtige regels van de democratie de gelijkheid van kansen beloofd.

De 'halve of driekwart meritocratie' die zich overal in de Westerse maatschappij min of meer ontwikkelt, is een toestand waarin een deel van de bevolking permanent van gelijke kansen wordt uitgesloten. Dat deel heeft ook geen toegang meer tot 'de politiek', niet omdat het de toegang is ontzegd, maar omdat het geen flauw idee meer heeft van wat daar gaande is. De meerderheid die dat wel weet, gelooft het in grote trekken wel, zolang het met rust wordt gelaten. En waarom zou 'de politiek' er iets essentieels aan willen veranderen zolang zij zichzelf kan continueren?

De hieruit groeiende kalmte aan het front van politiek en kiezers kan worden verstoord, maar dan gaat het om 'zedenschandalen' zoals in België of Engeland, of beperkte drama's zoals met Fokker, of om organisatorische zaken als infrastructuur en milieu. Waar het redelijk gaat met de economie - overal in het Westen - laten politiek en kiezers elkaar zoveel mogelijk met rust. Dat is niet een teken van de veelbesproken 'kloof tussen politiek en burger' maar een stilzwijgende verstandhouding, gegroeid uit een wederzijds welbegrepen eigenbelang.

Daaruit ontstaan dan weer de verschijnselen die typisch zijn voor deze tijd. Bijvoorbeeld: de media worden steeds onpolitieker, met niet alleen het economisch nieuws, maar ook al het andere nieuws dat terzake doet, steeds meer in de economische katernen opgehoopt. Wat tot de politieke solidariteit van links hoorde, valt weer gedeeltelijk toe aan een charitas, vanzelfsprekend op moderne leest geschoeid. De 'service-clubs', Rotary, Lions, Soroptimisten, zien een nieuwe taak die niet bestaat in de aanbeveling om proletarisch winkelend een brood te stelen, maar waar de nood het hoogst is “zonder applaus voor goede daden de flappen te trekken”, zoals een vooraanstaand Soroptimist het vorige week in deze krant uitdrukte.

Zou het kunnen zijn dat de Westerse politiek na de eerste welvaartsgolf van de jaren vijftig nu de tweede bereikt, met wat eens links en rechts heette, nu wedijverend in een conservatief, of consoliderend perfectionisme? Nog in de jaren zestig konden de Amerikaanse Democraten serieus campagne voeren met hun denkbeeld van een Great Society. Een mooi plan dat nu het beste wapen zou zijn om politieke zelfmoord mee te plegen.