Dualisme kan Dijkstal niet ver genoeg gaan

De ministers van het kabinet-Kok verdedigen deze weken hun begroting in de Tweede Kamer. Het kabinet is halverwege de rit; tijd voor een tussenbalans. Vandaag: minister Dijkstal (VVD, Binnenlandse Zaken).

DEN HAAG, 16 OKT. Dat de politieke macht bij de Tweede Kamer ligt weet minister H.F. Dijkstal als geen ander. Hij zei bij zijn aantreden als politiek leider van de 'moeder van alle departementen' al gekscherend dat hij een stapje terug deed. Hoewel zijn positie tijdens de eerste twee jaar van zijn bewind nog niet aan het wankelen is gebracht, is de minister van Binnenlandse Zaken, tevens vice-premier, wel tegen een aantal harde waarschuwingen opgelopen.

Vooral met zijn portefeuille politie heeft Dijkstal zich veel problemen op de hals gehaald. Hij kwam onder vuur te liggen door de IRT-affaire, waarmee hij enkele maanden daarvoor als Tweede-Kamerlid nog naam had gemaakt. Dijkstal was medeverantwoordelijk voor het aftreden van zijn voorganger Van Thijn en van minister Hirsch Ballin (Justitie). Zijn snelle conclusie op basis van een advies van de landsadvocaat dat het in juridische zin onmogelijk was iets te ondernemen tegen falende politiemensen werd door de Kamer, inclusief de VVD-fractie, weggehoond; Dijkstal was immers verantwoordelijk voor benoemingen en ontslagen. Onder druk van de Kamer ging hij afgelopen zomer aan de slag en kwam terug met een plan dat voorzag in het vertrek van de Haarlemse korpschef Straver naar Hollands Midden en zijn Utrechtse collega Wiarda naar Den Haag. Dijkstal bedacht tevens een plan om korpschefs, net als andere topambtenaren, sneller van functie te laten wisselen om ambtelijke culturen op te frissen.

De goedlachse, vaak laconieke manier waarmee hij met kritiek omgaat, wordt hem niet altijd in dank afgenomen. Met zijn onbetwiste redenaarskunst en de grappen en grollen die hem als Kamerlid vaak in de schijnwerpers zetten, komt hij als minister steeds minder gemakkelijk weg. Het lijkt zich tegen hem te keren. Zo verweet de Kamer hem na het debat over het rapport van de commissie-Van Traa dat hij de ernst van de zaak had onderschat. “Ik ben zeker van plan mijn vrolijke natuur te handhaven en geloof zeer in een wat relativerende benadering van mensen en zaken, maar de vraag is hoe je voorkomt dat je daardoor wordt afgeschilderd als een vrolijke lolbroek die al dansend door het leven gaat”, zei hij onlangs in een vraaggesprek met het VVD-blad Liberaal Reveil.

Dijkstal botste vaker met de Kamer - en met de fractie van zijn eigen partij. Elke keer als het onderwerp ter sprake komt, confronteert de oppositie hem met de doelstelling van zijn partij om tienduizend extra politie-agenten de straat op te krijgen. Als het uiteindelijk de helft wordt, zal de Kamer al heel tevreden zijn. Hoe het met de personeelssterkte ging, wist hij vorige week niet precies. Een dag later had hij wel de cijfers bij zich die aantoonden dat het kabinet wel degelijk op koers ligt. Dijkstals ambtenaren zijn er inmiddels aan gewend geraakt dat hij niet altijd alles paraat heeft.

Hij wekte ergernis in de Kamer toen hij voor de zoveelste keer in herinnering bracht dat een minister van binnenlandse zaken onvoldoende bevoegdheden heeft om de politiekorpsen voor te schrijven wat zij met het overheidsgeld doen. Ook hier vond de VVD-fractie dat hij wel wat voortvarender te werk mocht gaan. Zijn afkeer van de huidige Politiewet is duidelijk. Dijkstal stemde als Kamerlid al tegen, zo laat hij niet na te vertellen. Hij komt na de evaluatie, dit najaar, met voorstellen om de wet te veranderen.

Gezien een aantal andere portefeuilles die hij beheert, lijkt het opmerkelijk dat hij Dijkstal destijds 'ja' zei toen formateur Kok hem vroeg voor het ministerschap. Zijn partij is immers geen voorstander van de invoering van het correctief wetgevingsreferendum, waaraan Dijkstal zich gebonden weet door het regeerakkoord. De VVD ziet het als één van de prijzen die voor de totstandkoming van het paarse kabinet moeten worden betaald.

Ook van het invoeren van stadsprovincies is Dijkstal geen groot voorstander. De 'operatie-Rotterdam' liep begin dit jaar desondanks uit op een zeer gevoelige nederlaag voor Dijkstal, nadat PvdA en D66 onder invloed van de referenda hierover in Amsterdam en Rotterdam een andere richting hadden gekozen. Dijkstal wacht nu het advies van de commissie-Andriessen af over een nieuw bestuur in de regio rond Rotterdam. Vorige week zei de minister “goede hoop” te hebben dat er nog deze kabinetsperiode een nieuw wetsvoorstel zal komen. Of dat ook voor Den Haag en Amsterdam geldt is nog maar de vraag, want het is een publiek geheim dat de minister vindt dat eigenlijk alleen de grootstedelijke problemen in Rotterdam een nieuw, bovenregionaal bestuur rechtvaardigen.

Eén van zijn bestuurlijke passies is de integratie van minderheden, een onderwerp dat volgens hem ten onrechte in een stiltegebied is terechtgekomen. Hij kritiseert onder andere werkgevers die tekortschieten bij het in dienst nemen van allochtonen. “Ik geloof in een multiculturele samenleving”, zei hij vorige week op een VVD-spreekbeurt in Amsterdam. “Maar de samenleving moet dan wel beginnen met iedereen gelijke kansen te geven.”

Dijkstal vindt dat bedrijven en instellingen bij gelijke geschiktheid de voorkeur moeten laten uitgaan naar allochtonen, “positieve actie naar analogie van de vrouwenemancipatie”, zoals hij het noemt. Het mes van de emancipatie snijdt wel aan twee kanten: onder zijn bewind werd ook het inburgeringscontract voor 'nieuwkomers' ingevoerd, dat allochtonen onder meer verplicht de Nederlandse taal te leren.

Vooral op het terrein van de minderheden botsen de ambities die Dijkstal vaak op die van partijleider Bolkestein en de VVD-fractie. Op dit gebied voelt de VVD-minister zich meer thuis bij zijn PvdA- en D66-collega's in het kabinet. Geen probleem, zegt Dijkstal, leden van het kabinet hebben hun eigen verantwoordelijkheden. Hij vindt het zelfs “mooi” als hij wordt aangevallen door zijn eigen fractie. De grenzen van het dualisme zijn voor hem nog lang niet bereikt.