De gelovige intellectueel

Een paar weken geleden zag ik Andries Knevel van de EO in gesprek met een gereformeerde astronoom. Knevel nam even de rol van advocaat van de duivel op zich en vroeg de astronoom hoe hij zijn dagelijkse wetenschappelijke werk (zwarte gaten, big bang, uitdijend universum) kon combineren met zijn geloof in God en vooral in de Bijbel.

Dit is een interessante vraag die al vaker is opgeworpen, en waarop ik nog nooit een bevredigend antwoord heb gehoord. Als ik me goed herinner, antwoordde de astronoom dat de complexiteit van het universum een bewijs was voor het bestaan van God en dat de Bijbel voor hem onder alle omstandigheden overeind bleef staan.

Waarom geeft een gelovige bakker of treinconducteur geen frictie en een gelovige wetenschapper of intellectueel wel, zelfs in de ogen van een gelovig iemand als Andries Knevel? Dat komt doordat de handeling van het geloven (ik duid het opzettelijk als een activiteit aan) een onderwerping aan een systeem inhoudt. Waarom zal Adriaan van Dis niet gauw gelovig worden? Omdat hij zich aangetrokken voelt tot de esthetische en rituele aspecten van de katholieke kerk, zoals hij onlangs op de tv uitlegde in een tweegesprek met kardinaal Simonis. Dat is te weinig. “Las hij wel eens in de bijbel?” vroeg Simonis. “Jazeker”, zei Van Dis, “prachtige teksten, het hooglied, schitterend taalgebruik.” Simonis knikte zuinigjes, en raadde hem aan het Nieuwe Testament te lezen, de woorden van Jezus, daar ging het om. En Simonis heeft natuurlijk gelijk. Je kunt je nog zo in vervoering laten brengen door gregoriaanse gezangen of mystieke poëzie, wie bij een kerk wil horen, moet iets geloven, iets wat concreet en inhoudelijk is. De rest is bijzaak.

Mensen kunnen zich om uiteenlopende redenen aangetrokken voelen tot het geloof. Intellectuelen noemen vaak de esthetica, de rituelen die een patroon aanbrengen voor het dagelijks leven en, als ze er nog wat meer in opgaan, de ethica: het geloof als richtsnoer voor moreel handelen. Dat is allemaal goed en wel, maar de kern van elke godsdienst is het verlossingsperspectief, de gedachte dat er een hiernamaals bestaat, waarin rekeningen worden vereffend en waarin alles toch nog goed komt. Het hiernamaals geeft het leven met terugwerkende kracht zin. Dat zei Simonis ook in datzelfde tweegesprek: het troostende idee dat de mensen in Afrika, wier ellende hij had gezien, beloond zouden worden voor hun lijden.

Ook als ze niet katholiek of zelfs maar christelijk zijn, vraag ik me af. Hoe zit het met moslims, hindoes en de aanhangers van obscure natuurgodsdiensten? Het probleem met concurrerende godsdiensten lijkt misschien van hetzelfde triviale niveau als dat je in de discussie over geloven niet moet zeuren over het feit dat de paus tegen anticonceptie is, maar het is heel wezenlijk.

Als je gelooft in verlossing of een hiernamaals voor ieder die het goede heeft nagestreefd in zijn leven ongeacht zijn godsdienstige signatuur, dan verdwijnt elke noodzaak om je zelf bij een geloofssysteem aan te sluiten. Het zou immers raar en onrechtvaardig zijn van God om iemand uit te sluiten omdat hij toevallig in een verkeerd (bijvoorbeeld niet-christelijk) land is geboren. Nu het toch over uitsluiten gaat, voor dieren geldt hetzelfde als voor niet- of verkeerd-gelovigen. Zeker nu de antropocentrische scheiding tussen mens en dier langzaam afbrokkelt kun je je met recht afvragen (wat kinderen altijd al deden) waarom de dood voor ons een doorgang zou zijn en voor hen een valbijl.

Als je al die inclusies toelaat, dan ben je geen gelovige meer, maar een soort pantheïst, ook respectabel, daar niet van, het punt is alleen dat het onderscheid tussen geloven en niet-geloven daarmee verdwijnt. De meerderheid van niet-kerkelijken in Nederland gelooft wel dat er 'iets is'. Een grote beweger of de oorsprong der dingen. De mens is geprogrammeerd tot causaliteit en zal altijd blijven zoeken naar de zin van het leven. Elke godsdienst fourneert antwoorden. Je hieraan committeren impliceert geloof in die specifieke antwoorden. Je moet het naar de letter doen, niet naar de geest, want dat laatste doet iedereen wel zo'n beetje, een enkele rabiate atheïst uitgesloten. Vanwege de stap van geest naar letter zal de gelovige intellectueel voor mij altijd een raadsel blijven.