Artikel 23 is hoeksteen onderwijsbestel

Na een jarenlange schoolstrijd is de vrijheid van onderwijs in 1917 vastgelegd in de Grondwet. Dit artikel, vervat onder nummer 23, geldt als hoeksteen van het Nederlandse onderwijsbestel. Het kent in beginsel iedere geloofs- of levensovertuiging het recht toe een eigen zogeheten bijzondere school te stichten die aanspraak maakt op evenveel geld als de openbare scholen die worden bestuurd door gemeenten.

Als gevolg van deze gelijkstelling is tot op de dag van vandaag het Nederlandse onderwijs georganiseerd in zuilen: katholiek, protestant, openbaar en algemeen. Bij elk overleg met het onderwijsveld betrekken beleidsmakers de per zuil georganiseerde vakbonden, ouderverenigingen en schoolbesturen (de 'koepels').

Het evenwicht tussen de verschillende zuilen is de laatste jaren verstoord doordat de gemeentebesturen, die het bevoegd gezag vormen van de openbare scholen, steeds meer onderwijstaken van het Rijk overgedragen krijgen, vooral om de achterstand van kansarme kinderen in te lopen. Tot grote schrik van het bijzonder onderwijs dragen de gemeenten daarmee 'twee petten': ze voeren onderwijsbeleid voor àlle scholen maar zijn ook de belangenbehartigers voor het openbaar onderwijs. Steeds meer gemeenten brengen daarom hun taak als schoolbestuur onder in aparte commissies of stichtingen, die soms tamelijk onafhankelijk van de gemeenteraad kunnen opereren. Via allerlei convenanten worden de bijzondere-schoolbesturen bij het algemene onderwijsbeleid van de gemeenten betrokken.