Armoede vaak kwestie van definitie

Verschillende gemeenten doen naar aanleiding van de nota Armoedebestrijding van Minister Melkert (sociale zaken) onderzoek naar de armoede - en wat daar precies onder moet worden verstaan.

ROTTERDAM, 16 OKT. In zijn 'Minimumbeleidsplan' stelt de Nijmeegse wethouder W. Hompe de vraag of zijn gemeente bijstandsfraude altijd moet terugvorderen. Hij doelt op 'bijbeunende' mensen, die jarenlang op of beneden het minimumniveau zitten en gezien hun leeftijd of gezinssamenstelling niet meer aan werken toekomen. Bij een debat, georganiseerd door de stichting De Dialoog, zei Hompe zelfs dat “sommige mensen gewoon recht hebben op fraude, zo schrijnend is hun positie. Maar ja, dat mag niet van het rijk.”

De gedachtengang van Hompe (“de uitkeringen moeten 25 procent omhoog”) geeft aan hoe gemeenten worstelen met de toenemende armoede. Na het verschijnen van de nota Armoedebestrijding van minister Melkert (sociale zaken) in november 1995 proberen ze daarin een beter inzicht te krijgen: hoe arm is de bevolking, hoe is de beleving van armoede en hoe kan ze worden voorkomen? In opdracht van een aantal gemeenten organiseert De Dialoog, die contacten onderhoudt met Divosa (de vereniging van directeuren van sociale diensten), debatten over dit onderwerp. De stichting begon met een meningspeiling onder (telkens honderd) inwoners van drie steden: Utrecht, Nijmegen en de plattelandsgemeente Uden. De overgrote meerderheid van de ondervraagden is van oordeel dat armoede voorkomt, al ligt het percentage in de twee grote steden hoger (85 procent) dan in Uden (69 procent). De Dialoog onderzoekt hoe arm de bevolking werkelijk is.

In Nijmegen zien twee maal zo veel geënquêteerden dan in Utrecht of Uden werkloosheid als teken van armoede. Het ontberen van een krant of telefoon wordt in Nijmegen ook vaker genoemd. In de twee steden scoort dakloosheid als beeld van armoede hoger dan in Uden, waar het niet kunnen deelnemen aan (sport)clubs vaak als armoede wordt gezien. In alle drie gemeenten is het overgrote deel van de ondervraagden van mening dat armoede moet worden ervaren als het ontbreken van voldoende geld.

Ook Leiden liet naar aanleiding van de armoede-nota van Melkert onderzoek doen naar de verdeling van armoede en welvaart. De Stichting voor Economisch Onderzoek van de Universiteit van Amsterdam onderzocht niet alleen hoeveel mensen een laag inkomen hebben maar ook hoeveel mensen zelf vinden dat zij te weinig geld hebben om van rond te komen. Deze zogenoemde subjectieve armoede komt enigszins overeen met de door de onderzoekers geconstateerde objectieve armoede (een inkomen lager dan 125 procent van het sociaal minimum). Opmerkelijk is dat (echt)paren zonder kinderen die onder deze armoedegrens vallen (16 procent) dat zelf niet altijd zo ervaren (8 procent). Voor alleenstaanden geldt het omgekeerde: 32 procent is objectief arm terwijl 40 procent zelf vindt niet genoeg te verdienen om van rond te komen.

Prof. dr. B. van Praag, die het onderzoek heeft geleid, zei geschrokken te zijn van de uitkomsten van het onderzoek. Twee groepen springen eruit: alleenstaanden en éénoudergezinnen hebben veel te weinig om van rond te komen. Meer dan de helft van de éénoudergezinnen (56 procent) kampt met geldproblemen. 44 procent van hen heeft daarbij ook nog eens schulden van gemiddeld 5.000 gulden. Een éénoudergezin heeft 2.200 gulden per maand te besteden, terwijl het gemiddeld netto inkomen van een Leids huishouden 3.400 gulden bedraagt. Volgens de onderzoekers drukken vooral de woonlasten zwaar op de Leidse minima. Zij verwachten dat door de jaarlijkse huurverhogingen een steeds groter deel van het inkomen aan kale huur besteed zal moeten worden.

Wethouder J. Laurier (sociale zaken) zegt in een reactie op de uitkomst vooral geschrokken te zijn van de “tweetoppigheid” die in Leiden aan het onstaan is. Om niet een vertekend beeld te krijgen van de Leidse bevolking werd besloten studenten van het onderzoek uit te sluiten. “Niet omdat wij denken dat studenten niet arm kunnen zijn, maar zij zijn hier tijdelijk”, aldus Laurier.

Laurier wil het gemeentebeleid aanpassen om deze tweedeling terug te brengen. Als oplossingen stelt hij voor de lasten voor de lagere inkomens te beperken door het tarief van het lozingsrecht en de afvalstoffenheffing te verlagen. Dat heeft alleen als nadeel dat het geheel van belastingen en tarieven voor de inwoners van Leiden ondoorzichtig wordt. Laurier wil ook de normen verlagen voor 'kwijtschelding van gemeentelijke heffingen'. Uit het onderzoek in Leiden bleek overigens dat 29 procent van de ondervraagden niet op de hoogte was van de mogelijkheid tot kwijtschelding.

Uit het onderzoek van De Dialoog bleek dat de problemen in de grote steden groter is dan op het platteland. Zowel in Utrecht als Nijmegen denkt ongeveer dertig procent van de ondervraagden dat in hun gemeente de armoede groter is dan in de gemiddelde Nederlandse plaats. In Uden ligt dat percentage op vijf procent.

De helft van de ondervraagden denkt dat een gezin met twee kinderen tussen de 1.800 en 2.000 gulden per maand nodig heeft om rond te komen. In Nijmegen en Utrecht zijn méér mensen dan in Uden van oordeel dat 1.500 gulden voldoende is. De Stichting voor Economisch Onderzoek peilt ook de armoede in Spijkenisse en Alphen aan den Rijn. Volgens de onderzoekers is er sprake van een groot verschil in armoede - zowel objectief als subjectief.