Antillen hebben meer dan IMF nodig

Overheden en maatschappelijke organisaties op de Antilliaanse eilanden voeren een moeizame strijd om een financieel-economisch evenwicht te bereiken. Met steun van het Internationaal Monetair Fonds en Nederlandse deskundigen is maanden gewerkt is aan analyses en plannen om de overheidsfinanciën te saneren, maar de weerbarstige werkelijkheid toont aan dat de Antillen meer nodig hebben dan goede recepten.

Recente berichten wijzen ook op interne complicaties die het verminderen van overheidsuitgaven en -tekorten belemmeren. Er zijn echter ook externe factoren die eens te meer onderstrepen dat de Antillen voorlopig nog niet uit de gevarenzone zijn.

Op die externe factoren is ook gewezen door de zogenoemde Schuldencommissie onder leiding van wijlen jhr.mr. E. van Lennep. Van Lennep die voor de Antillen de weg bereidde naar het IMF, beklemtoonde als geen ander het belang van structurele verbetering van de economie als een noodzakelijke aanvulling op de hoofdzakelijk monetaire aanpak die tussen de Antilliaanse regering, het IMF en Nederland werd overeengekomen. Met zijn overlijden is een belangrijke pleitbezorger ontvallen voor een evenwichtige, meeromvattende aanpak van de financiële en economische vraagstukken in het Caraïbisch deel van het Koninkrijk.

Zeker in de loop van dit jaar is de zwakke economische structuur van de Antillen manifest geworden. In de meeste bedrijfstakken is sprake van een aarzelende bedrijfsontwikkeling. De teruggang in het toerisme als gevolg van de storm Luis op St. Maarten maakt de klap des te heviger. Maar ook los hiervan zijn er tal van tekenen die wijzen op een toenemende erosie van de economische basis van de eilanden.

De Antilliaanse economie wordt van oudsher gedragen door onvolkomenheden in de regionale en mondiale economie of door toevallige voordelen die in elke periode bij elkaar opgeteld een behoorlijk bestaansniveau op de eilanden hebben mogelijk gemaakt. Voorbeelden zijn de olie-industrie en de zogenaamde financiële offshore die beide nog steeds een bepalend aandeel leveren in de lokale welvaart. Het wegvallen van handelsbarrières, de opening van nieuwe markten en de snelle ontwikkeling in de technologie maken het steeds moeilijker voor Antilliaanse bedrijven hun inkomen op de oude voet binnen te halen. Ook de voordelen die de eilanden thans kunnen benutten door preferentiële regelingen in Europees verband, moeten worden gezien als een willekeurige begunstiging die hooguit tijd - en geld - biedt om het noodzakelijke economische aanpassingsproces vorm te geven.

Daarnaast zijn de van oudsher bestaande 'natuurlijke' voordelen van de Antillen als unieke factor in de strijd om de niches langzamerhand uitgewerkt. Politieke stabiliteit, deelgenootschap van het koninkrijk, een goed ontwikkelde infrastructuur, behoorlijk onderwijs: zij maken deel uit van de traditionele argumenten, die hetzij hun bijzonderheid hebben verloren of die gaandeweg op gespannen voet zijn komen te staan met de feiten. Het gaat hier veelal om een relativiteit: de Antillen zijn niet achteruitgegaan, maar de rest van de wereld is aanzienlijk sneller vooruit gaan lopen.

De opkomende nieuwe economische wereldorde biedt de Antillen overigens even veel nieuwe mogelijkheden als zij biedt aan elke andere willekeurige locatie. Juist nu bijvoorbeeld geografische ligging een steeds minder unieke betekenis heeft en afstanden vooral een kwestie zijn van logistieke of elektronische efficiency en 'unit costs', ligt de wereldmarkt voor de eilanden in beginsel open op tal van terreinen waarvoor zij eertijds een te verre uithoek waren.

Om dit te verzilveren zal echter een forse sprong voorwaarts moeten worden gemaakt. Dit geldt in de eerste plaats het aanpakken van de hardnekkige belemmeringen die de eilanden zelf opwerpen, zoals de hoge lokale arbeids- en utiliteitskosten en hun matige kwaliteit, de hoge kosten en lage servicegraad van de internationale telecommunicatie, het tekortschieten van de overheidsdiensten ('red tape'), protectionisme en dergelijke. In de tweede plaats moet worden gewerkt aan een flinke investering in hoogwaardige technologie en 'human capital'. Het zijn geen onbereikbare vergezichten, zeker ook niet gezien de vele verbindingen tussen de eilanden en Nederlandse (commerciële) kennisvoorraden.

Die omstandigheden en de historische context waarin de Antillen hun sprong kunnen wagen, vestigen onvermijdelijk de aandacht op de relatie met Nederland in bredere zin. Hoewel meer historisch dan logisch, zijn met die relatie concrete en - in de financiële sector: aanzienlijke - Nederlandse belangen gemoeid. Daarnaast staan er Nederlandse maatschappelijke belangen op het spel met de houdbaarheid van het levenspeil in de overzeese rijksdelen. Deze verwevenheden kunnen dan maar beter ten voordele voor beide zijden worden benut, zelfs al lijkt het niet altijd voor de hand liggend. Bovendien zal ook Den Haag wel inzien dat het monetaire pakket alleen weliswaar een belangrijke voorwaarde is voor de Antilliaanse economie, maar geen echte impuls. Er is juist door dat pakket, bij uitblijven van gerichte investeringen, temeer het risico van een doorlopende, neerwaartse spiraal.

De voornaamste Antilliaanse inspanning is het daadwerkelijk aanpakken van de eerder aangegeven beperkingen en het stimuleren van internationale competitiekracht van hun belangrijkste sectoren: toerisme, financiële dienstverlening, transport en distributie. Een 'push' (en perspectief) van buitenaf lijkt echter nodig om die inspanning te leveren, met inbegrip van tijdelijke, extra preferenties voor Nederlandse bedrijven die iets met de eilanden willen ondernemen.

De denkbare contouren van zo'n 'push' hangen sterk samen met blijvende bereikbaarheid als essentieel ingrediënt voor de toekomst van de Antillen. Dit kan vooral worden gerealiseerd via een forse injectie in de transport- en communicatiemiddelen. Hiertoe is al eerder een poging gedaan via de samenwerking tussen de KLM en de Antilliaanse luchtvaartmaatschappij, ALM. Hernieuwde steun aan die samenwerking, maar dan met de volle consequenties van gedeelde en evenredige verantwoordelijkheid voor alle bedrijfsfactoren, is geen onredelijke propositie. Dit geldt ook voor de samenwerking op het gebied van de telecommunicatie, die ooit werd beproefd, maar die destijds - mede wegens lokale politieke redenen - niet van de grond kwam. Het zijn mogelijke 'test cases' voor de inspanningsruimte aan Antilliaanse zijde en natuurlijk ook voor de wendbaarheid van Nederland.

De tijd om deze mogelijkheden (opnieuw) te beproeven is krap - en de urgentie is, door Antilliaanse bril gezien, hoog. De huidige regeringscoalitie in Willemstad heeft effectief nog één politiek seizoen te gaan. Een 'push' van buitenaf is niet makkelijk te verkopen en de ervaring tot nu met dit soort aanzetten stemt verre van positief. Maar zonder pijn geen vreugde. Niet voor niets heeft de Antilliaanse regering onder leiding van premier mr. M.A. Pourier aangekondigd de economische dialoog met Nederland een nieuwe inhoud te willen geven. Zij zal dit helaas moeten doen zonder de krachtige steun van Van Lennep, al zal zijn invloed - zo mag men hopen - nog wel enige tijd doorwerken.