Osewoudt naar de film met Marianne

Hendrik Maarten Osewoudt, de in het nauw gebrachte hoofdpersoon van W.F. Hermans' oorlogsroman De donkere kamer van Damocles, heeft een afspraak met de joodse Marianne Sondaar. Ze ontmoeten elkaar 's avonds om half zeven op het hoofdstedelijke Muntplein, waar zij hem vertelt dat ze twee kaartjes heeft gekocht voor de bioscoop.

Niet voor een Duitse film natuurlijk, maar voor een Tsjechische. Ze slaan de Reguliersbreestraat in, naar de Tivoli-bioscoop en lopen onder het bordje Für Juden verboten! door naar binnen. De film die er draait heet Praeludium. Osewoudt krijgt echter niet de kans er iets van te zien. Nog voordat de hoofdfilm begint verschijnt er een opsporingsbericht op het witte doek - en dat opsporingsbericht gaat over hem. Zo snel als hij kan verlaat hij de zaal en vlucht via de grote hall naar buiten. Maar op straat komt de portier achter hem aan. Na een korte schermutseling wordt Osewoudt opgepakt door een politie-agent - een Hollandse, zo voegt Hermans er nadrukkelijk aan toe.

De donkere kamer van Damocles is fictie, dat spreekt vanzelf. Het verhaal over de man wiens identiteit lijkt te worden verwisseld met die van een geheimzinnige Engelse vlieger, werd door de schrijver verzonnen. Uit navorsingen van diverse Hermans-exegeten is echter al eerder gebleken dat talloze details in de beschrijvingen van Amsterdam in oorlogstijd nauwgezet overeenstemmen met de historische waarheid. En dat Tivoli tijdens de bezetting de naam was van het Tuschinski-theater - die Pools-joodse naam moest immers van de gevel worden verwijderd - was ook allang bekend.

Maar er blijkt in De donkere kamer van Damocles nòg iets te kloppen. Ook in werkelijkheid is in Tivoli tijdens de oorlog een Tsjechische film vertoond die Praeludium heette. In de persdocumentatie van het Amsterdams Gemeentearchief zijn de recensies te vinden. “Wij krijgen hier den laatsten tijd vrij wat Tsjechische films te zien, die niet alleen het nadeel hebben, dat het gesproken woord onverstaanbaar voor ons is, zoodat we ons met vertaalde bijschriften moeten behelpen, maar ook en vooral dat de Slavische geest ons in wezen vreemd blijft”, begon de NSB-dichter Chr. de Graaff zijn kritiek in het Algemeen Handelsblad. “Het zwaarmoedige, het trage en lijdzame, afgewisseld door plotselinge vlagen van hartstocht of woede, de geheele levenshouding, al dat weeke en melancholische, werkt, vooral in een 'vertraagde' film als Praeludium, op den duur tamelijk irriteerend. (-) Een overgevoelig filmwerk, dat aesthetische verdiensten heeft, maar dat ons Nederlanders, vooral in dezen tijd weinig heeft te zeggen.”

Waarom er destijds zo veel Tsjechische films werden gedraaid, ondanks het door De Graaff gesignaleerde rassenonderscheid, vermeldde hij niet. Men werd in die tijd nu eenmaal niet geacht in de krant te zetten dat het filmaanbod was beperkt tot produkties uit de Duitse as-mogendheden of door de Duitsers bezette gebieden. Nooit zijn er in Nederlandse bioscopen zo veel Deense, Oostenrijkse en Tsjechische films vertoond als toen. Andere recensenten hadden overigens minder moeite met de Slavische geest van Praeludium. “Ze teekent den desintegreerenden invloed, dien een overigens onzichtbare verleider op 'n klein gezin heeft. De man vindt het moeilijk zijn vrouw vergiffenis te schenken”, aldus J.M. Lücker in de Telegraaf. “Dat ze hier en daar traag lijkt, is 'n euvel waar elke kleine, nationale filmkunst onder lijdt.” G.K. Krop maakte in Het Volk zelfs melding van “een spanning, welke die van menige sensatiefilm overtreft”.

En dankzij dit knipselarchief is nu ook vast te stellen wannéér Osewoudt met Marianne naar Tivoli ging. De recensies verschenen op 3 april 1943.