Nederland moet vliegtuigen blijven bouwen

Nu Samsung het langverwachte businessplan voor de doorstart van Fokker bij het ministerie van Economische Zaken heeft ingeleverd, is binnen enkele dagen de publieke verwarring over de inhoud en betekenis van dit voorstel door tegenstrijdige berichten en meningen in de pers naar een toppunt gestegen.

In deze krant (8 oktober) kwam drs. J. Hoogenboezem met de van hem bekende en van geen enkel businessplan afgeleide opvatting dat Fokker sowieso geen overheidssteun verdient, omdat “Nederland zich geen vliegtuigindustrie kan permitteren”. Zijn redenering komt erop neer dat het verdwijnen van ongeacht welke middelgrote technische industrie voor Nederland “geen ramp betekent”, omdat het heil toch ligt in de dienstensector. In zijn eenzijdige betoog is merkwaardig dat hij het normaal vindt dat Fokkers concurrenten overheidssteun ontvangen, terwijl hij de voorstellen van Samsung aan de Koreaanse en de Nederlandse overheid uitlegt als een teken van zwakte. Daarbij wordt botweg geponeerd dat Samsung geen enkele ervaring heeft in de luchtvaartindustrie.

Inderdaad bouwt het Koreaanse bedrijf geen verkeersvliegtuigen, maar het produceert wel moderne jachtvliegtuigen (F-16) in licentie en werkt samen met de Amerikaanse luchtvaartgigant Lockheed-Martin bij de ontwikkeling van een nieuw lesvliegtuig, de KTX-2. Het heeft daarvoor de beschikking over een uiterst moderne produktielijn. Ook produceert het bedrijf helikopters, motoren en systemen voor de ruimtevaart. Maar bovenal heeft het steun van een regering die er een duidelijk en stimulerend technologiebeleid op na houdt.

Als nu het in staat van faillissement verkerende maar nog steeds producerende Fokker Aircraft b.v. voorgoed weg zou vallen en er geen nieuwe vliegtuigen in gebruik worden genomen zal op den duur ook dat bedrijf worden bedreigd. Een waardevolle en nog volop draaiende produktielijn zou dan worden verkwanseld, er komen opnieuw 650 hooggeschoolde mensen op straat te staan en in plaats van Korea gaat de winst naar Frankrijk, Italië, Engeland en eventueel China en Indonesië. Maar bovenal telt het verlies van een innoverende tak van de industrie, die veel bijdraagt aan het niveau van de Nederlandse technologie. Ook daar zullen vele honderden banen gaan verdwijnen bij toeleveringsbedrijven, technologische instituten en opleidingen.

Landen als Brazilië, Canada, Ierland, Indonesië, Zweden, Zwitserland en Spanje, met een economie waar Nederland niet slecht bij afsteekt, kunnen en willen zich echter wel degelijk een vliegtuigindustrie veroorloven en boeken er toenemende successen mee. Nog altijd is er in Nederland voldoende know-how aanwezig om met de unieke vliegtuigproduktie en -ontwikkeling door te gaan. Om de produktielijn opnieuw te starten zijn enkele honderden Nederlandse technici nodig en voor een eventuele nieuwe afgeleide versie ('derivative') van de Jetline nog eens enkele honderden.

De continuïteit van een Fokker/Samsung-combinatie is op langere termijn sterk afhankelijk van de al eerder genoemde variant voor 130 passagiers, die een verlengde romp zou combineren met een nieuwe vleugel en nieuwe motoren. Deze zou dan grotendeels in Nederland ontwikkeld en over enkele jaren in Korea geassembleerd gaan worden, terwijl in Nederland componenten voor dit vliegtuig gebouwd zullen worden. Hierbij kunnen onder meer het onlangs opgerichte bedrijf Aircraft Design en Systems Engineering, dat voornamelijk uit ex-Fokker-werknemers bestaat maar onafhankelijk opereert, en het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (NLR) een bijdrage leveren. Wanneer Samsung nu van de Nederlandse overheid een bijdrage van enkele honderden miljoenen guldens ontwikkelingskrediet vraagt - een bedrag dat jaarlijks met een dubbeltje extra accijns op sigaretten de schatkist binnenkomt - en men daar vanuit Korea een miljard naast zou zetten lijkt dat een niet onredelijk voorstel. Zo'n financiële injectie heeft in het verleden bewezen een hoog rendement op te leveren, hoger dan bijvoorbeeld de kredieten van Ontwikkelingsmaatschappijen.

De marktvooruitzichten van een Koreaans/Nederlands bedrijf worden in Flight hoog aangeslagen omdat de luchtvaarteconomie weer aan het aantrekken is en de sterkste groei van het luchtverkeer in Azië plaatsvindt. Niet voor niets heeft de Franse regering er bij Nederland op aangedrongen de overheidssteun te onthouden aan een eventueel herstartend Fokker: de combinatie Fokker/Samsung kan immers voor de Franse industrie een aanzienlijke bedreiging worden. Fokker Aviation zal daarentegen aan toekomstige versies van de Jetline opnieuw opdrachten overhouden en daarmee aan kracht winnen.

Het oude Fokker mag dan misschien geen overheidssteun meer waard zijn geweest, het nieuwe Fokker moet een eerlijke kans krijgen het 'Sam-sam met de Koreanen' te proberen. Het zal wel even wennen zijn, maar op die manier blijven Nederlanders vliegtuigen van wereldklasse bouwen, een tak van sport waar ze sinds 1920 goed in zijn geweest.