Met Rusland gaat het goed, met Russen niet

MOSKOU, 15 OKT. Het gaat goed met Rusland maar slecht met de Russen. Dat moet ongeveer de conclusie zijn van het paradoxale economisch nieuws van de afgelopen weken. Internationale instellingen prijzen de economische ontwikkeling van de voormalige communistische grootmacht, terwijl de Russen zelf het ene na het andere doemscenario ontvouwen. Soldaten lijden honger, bejaarden krijgen geen pensioen en de Hermitage, een van de beroemdste musea ter wereld, zou moeten sluiten.

Gisteren was de beurt aan Viktor Iljoesjin, de voormalige rechterhand van Boris Jeltsin die na de presidentsverkiezingen vice-premier voor sociale zaken is geworden. Zijn nieuwe functie is hem niet meegevallen. “De belangrijkste indruk die ik heb overgehouden aan de eerste twee maanden van mijn werk is dat ik vrijwel niets kan oplossen. Ik beschik niet over de financiële middelen om beslissingen te nemen.”

Voor Iljoesjin, die doorgaat voor een serieus en schrander politicus, een teleurstelling. Voor miljoenen Russen een ramp, zegt hij. “Hoe betreurenswaardig ook, we moeten erkennen dat er massale armoede is opgetreden. Het aantal burgers wier inkomens zijn gedaald tot onder het bestaansminimum bedraagt nu een kwart van de bevolking.” Onderwijs heeft dit jaar volgens de vice-premier slechts 65 procent van de haar toegezegde begrotingsgelden gekregen, de gezondheidszorg 60 procent en cultuur niet meer dan 30 procent.

Iljoesjin staat niet alleen. Veiligheidsadviseur Aleksandr Lebed waarschuwde eerder deze maand dat het leger er zo belabberd aan toe is dat muiterij dreigt. Een bekende natuurkundige, de 64-jarige Vladimir Strachov, is in hongerstaking gegaan uit protest tegen de verwaarlozing van de wetenschap. Zes bouwvakkers die werkten aan de aanleg van een nieuwe Moskouse metrolijn deden eerder deze maand hetzelfde: zij hadden al sinds februari geen salaris meer ontvangen. Zij liggen nu in het ziekenhuis.

Zelfs Ruslands artiesten, voorheen een bevoorrechte groep, zijn gaan protesteren. Beroemdheden als de dichter Andrej Vosnesensky, de pianist Nikolaj Petrov en de directeuren van 's lands bekendste musea gingen vorige week de straat op. Hun algemene boodschap was dat Ruslands culturele traditie, volgens hen een van de weinige dingen waarop het huidige Rusland nog trots kan zijn, verloren dreigt te gaan. Hun concrete dreigement was het sluiten van de Hermitage in Petersburg en het Poesjkin-museum in Moskou, eenvoudig omdat er geen geld meer was om ze open te houden.

Ten dele is het gelijktijdig klinken van deze noodkreten in verband te brengen met de begrotingsbehandeling, die op dit moment plaats heeft. Het parlement heeft vrijdag in eerste lezing de ontwerpbegroting voor 1997 verworpen - zelfs de regeringspartij Ons Huis is Rusland stemde tegen - en zal morgen beslissen of er een verzoeningscommissie komt of dat de regering haar werk helemaal overnieuw moet doen. De protesterende artiesten boekten alvast succes: minister van cultuur Jevgeni Sidorov heeft extra geld losgekregen bij zijn collega's. Maar de mijnwerkers, de onderwijzers, de soldaten en de metrowerkers wachten nog. En zij protesteerden ook al toen het parlement nog met zomervakantie was. Tegelijkertijd is het internationale vertrouwen in de Russische economie zelden zo groot is geweest als nu. Investeerders in New York en Londen bespreken opgewonden de naderende aandelenemissie van de energiegigant Gazprom. Het Internationale Monetaire Fonds toont zich tevreden over het financiële beleid van de regering-Tsjernomyrdin. Toonaangevende instellingen die zich uitspreken over de kredietwaardigheid van landen - IBCA, Standard & Poor, Moody's - gaven Rusland deze maand goede rapportcijfers. “Dit is opnieuw een teken dat internationale investeerders Rusland steeds meer zien als een normaal land”, zei Ronald Nash, analist bij het in Moskou vooraanstaande investeringshuis Renaissance Capital.

Hoe kan het dat al dat goede nieuws de 'gewone' Russen kennelijk niet bereikt? Dat is de honderdduizend-roebelvraag: niemand heeft hem nog bevredigend beantwoord. President Jeltsin gooide het vrijdag op de gebrekkige belastingmoraal. “Het lot van meer dan honderd miljoen Russen hangt af van de belastinginning”, zei de president in een radiotoespraak. Dit jaar is vooralsnog slechts 45 procent van de verwachte belastinginkomsten daadwerkelijk opgehaald. Jeltsin: “Diegenen die belasting ontduiken dwingen gepensioneerden, het leger, de wetenschap en de cultuur hun kostje bijeen te scharrelen.”

Dat scharrelen is de manier waarop veel Russen in leven blijven, soms zelfs met op het oog meer succes dan de statistieken suggereren. Gepensioneerden verhandelen levensmiddelen op straat, militairen verkopen wapens, wetenschappers proberen geld te krijgen voor adviezen, theaterdirecteuren verhuren zalen als autoshowroom. Dit alles ook weer zonder belasting te betalen. Er bestaat niet het vertrouwen dat de overheid er iets goeds mee zou doen.

De president ziet de oplossing, of een aanzet daartoe, in de oprichting van een 'tijdelijk noodcomité' dat met voorstellen voor een effectievere belastinginning moet komen. Het comité bestaat uit de premier, de chef van het presidentiële apparaat en verscheidene ministers. De mensen dus, zo constateerden Russische commentatoren, die het al voor het zeggen hebben en hun voorstellen dus allang hadden kunnen doen.

Daaraan zou nog kunnen worden toegevoegd dat juist het Kremlin zelf de afgelopen jaren aan verscheidene schemerige stichtingen belastingvrijstelling heeft gegeven. De Nationale Sportstichting, waaruit naar verluidt een deel van Jeltsins herverkiezingscampagne is gefinancierd, is deze maand in opspraak gekomen en daarom de bekendste. Maar het weekblad Moskovskije Novosti onthult in zijn jongste nummer dat bijvoorbeeld ook de orthodoxe kerk belastingvrij sigaretten mocht importeren. En dan zijn er nog de hardnekkige geruchten dat premier Tsjernomyrdin tot nu toe een steviger aanpak heeft verhinderd van de winstgevende olie- en gassector, waaruit hij zelf voortkomt. Wie begint er met de uitvoering van de goede voornemens?