Het bedrog met de volksverzekering

Een maand geleden presenteerden minister Melkert en staatssecretaris De Grave hun nota Werken aan zekerheid, zonder twijfel het meest misleidende document dat het kabinet op prinsjesdag naar buiten bracht. De nota suggereert dat ons in de Algemene ouderdomswet (AOW) verankerde basispensioen betaalbaar blijft, ondanks de te verwachten sterke vergrijzing van de bevolking.

Op dit moment staan tegenover elke honderd mensen in de leeftijd van 15-64 jaar negentien 65-plussers. Deze 'grijze druk' verdubbelt tot 38 ouderen per honderd jongeren in het jaar 2040. Ambtenaren hebben berekeningen gemaakt van de gevolgen van de zich aftekenende vergrijzing voor de hoogte van de AOW-premie. Daarbij veronderstellen zij dat de AOW-uitkering jaarlijks de stijging van de CAO-lonen volgt. Bovendien blijft de uitkering inkomensonafhankelijk. Zij wordt in de toekomst dus niet verlaagd wanneer ouderen over een flink bedrag aan andere inkomsten of over een behoorlijk vermogen beschikken. Uitkomst van de exercitie: burgers hoeven zich geen zorgen te maken. Den Haag heeft de zaken onder controle. Ogenschijnlijk verliezen assurantiebemiddelaars een belangrijk verkoopargument bij het slijten van lijfrenteverzekeringen.

Maar het kabinet pleegt volksverzekeringsbedrog. Verdubbelt de grijze druk en loopt de AOW-uitkering de komende decennia in de pas met de gemiddelde welvaart, dan dient in beginsel ook de AOW-premie te verdubbelen. Die premie bedraagt op dit moment ruim 15 procent van het inkomen in de eerste schijf van het belastingtarief. Dat zou 30 procent worden. In de Macro Economische Verkenning 1997 rekent het Centraal Planbureau voor dat de soep iets minder heet wordt gegeten dan hij hier is opgediend. De AOW-premie zal oplopen tot 'slechts' 25 procent in het jaar 2040. Dat de premiestijging vijf procentpunten lager uitvalt heeft drie oorzaken.

Ten eerste maakt het kabinet zich schuldig aan taalvervuiling. Bij de door de Haagse rekenmeesters gemaakte becijferingen blijft de AOW niet welvaartsvast. De uitkering volgt bij veronderstelling de CAO-lonen, en niet de werkelijk verdiende lonen. Zij groeien jaarlijks een kwart procent sneller dan de CAO-lonen, denkt het Planbureau. Het gevolg is dat de koopkracht van de aan de CAO-lonen gekoppelde AOW-uitkering na veertig jaar ruim tien procent achterloopt bij die van de gemiddeld door economisch actieven verdiende inkomens, dus bij de algemene welvaart.

Vervolgens neemt het kabinet aan dat de komende tijd een toenemend deel van de bevolkingsgroep van 15-64 jaar bij het produktieproces wordt ingeschakeld. De jaarlijks stijgende arbeidsparticipatie maakt het premiedraagvlak breder. Gegeven de kosten van de regeling hoeft het premiepercentage dan minder omhoog.

Ten slotte kent de AOW een ingebouwde rem op de uitgaven. Wanneer de premie onder invloed van de vergrijzing oploopt, houden werkgevers een hogere premie op het loon van hun werknemers in. Ook minimumloners houden hierdoor netto minder van hun bruto loon over. Omdat de netto AOW-uitkering is gekoppeld aan de hoogte van het netto minimumloon, leidt een lager netto minimumloon automatisch tot een lagere AOW-uitkering. Dus is minder geld nodig voor de uitkeringen, en hoeft ook de premie minder snel omhoog.

Al rekenende vindt het Planbureau voor de jaren dertig en veertig van de volgende eeuw de genoemde AOW-premie van 25 procent. Deze premie zou nog steeds verschuldigd zijn over het inkomen in de eerste tariefschijf. De schijf wordt thans elk jaar verlengd met het percentage van de prijsstijging. Deze 'automatische prijscompensatie' voorkomt dat belastingplichtigen louter door de geldontwaarding in een zwaarder belaste tariefschijf terechtkomen. De CAO-lonen en de verdiende lonen stijgen jaarlijks ruim één respectievelijk anderhalf procent sneller dan de prijzen. Hierdoor groeien de meeste inkomenstrekkers op de lange duur uit de eerste schijf. Daarmee wordt het draagvlak voor de AOW-premie in verhouding steeds smaller. Het Centraal Planbureau heeft bij zijn becijferingen aangenomen dat de eerste schijf in de toekomst niet langer wordt verlengd met het percentage van de prijsstijging, maar met het stijgingspercentage van de CAO-lonen. Alleen dan komt de premie uit op 25 procent. Blijft de bestaande indexatie van de schijflengte in stand, dan zou de AOW-premie in 2040 zelfs op 34 procent staan, als gevolg van de voortgaande aantasting van de heffingsgrondslag.

Het kabinet is van deze uitkomsten danig geschrokken. Het kondigt maatregelen aan die de verwachte uitgavenstijging evenwel ongemoeid laten. De eerste schijf wordt in de toekomst jaarlijks verlengd met het percentage waarmee de CAO-lonen in de voorafgaande periode zijn gestegen. Verder wordt de AOW-premie bevroren op het huidige niveau. Naarmate de vergrijzing voortschrijdt, ontstaan steeds grotere tekorten in de kas van het Algemeen ouderdomsfonds. Zij zullen uit een rijksbijdrage worden aangezuiverd. Het is echter onzeker of hiervoor in de volgende eeuw budgettaire ruimte bestaat. Het gevolg kan zijn dat over 45 jaar bijna de helft van de AOW-uitgaven uit de belastingen wordt gefinancierd. Zo'n 'fiscalisering' van het basispensioen riep in het verleden groot verzet op bij CDA en VVD. Financiering van de AOW uit de belastingen werd strijdig geoordeeld met het veronderstelde verzekeringskarakter van de uitkering. Fiscalisering maakt de AOW tot staatspensioen. Ideologisch was dit een voor centrum-rechts onverteerbare ontwikkeling.

Op dit punt moest vooral de VVD de afgelopen maanden water in de paarse wijn doen. Maar ook de PvdA lijdt pijn. Van de extra verlenging van de eerste tariefschijf profiteren de hoogste inkomens het meest. Zij gaan immers over een groter deel van hun belastbaar inkomen het basistarief betalen, en over een geringer deel het toptarief van 60 procent. Het volgende bedrijf van het volksverzekeringsdrama zal eruit bestaan dit denivellerende effect van de plannen te versluieren.