Fabrieken kunnen beter produceren

Facts on Factories, In search of manufacturing excellence. Door Q.H. Breukelen. Uitg. Erasmus Universiteit Rotterdam. ISBN 90-9009487-3.

Het is een bekende dreiging voor de werkgelegenheid in de Nederlandse industrie: fabrieksarbeid zal langzaam uit ons land verdwijnen omdat ons loonpeil te hoog is. Nog recentelijk streden de vakbonden voor behoud van werk bij Akzo. Het bedrijf verplaatste de produktie uit kostenoverwegingen naar Polen, zo werd verteld. Volgens Q.H. van Breukelen heeft deze laatste bedrijfsverplaatsing waarschijnlijk niet alleen met de prijs van arbeid in Nederland te maken. In zijn recentelijk verschenen proefschrift Facts on factories, In search of manufacturing excellence rekent hij voor dat het loon inmiddels een zo klein deel van de totale produktiekosten is, dat een verplaatsing naar het buitenland vaak maar enkele procenten voordeel oplevert. Deze voordelen zijn ook te verkrijgen met goede investeringen in het eigenlijke produktieproces, zo stelt hij.

Een (vereenvoudigd) rekensommetje van een Philipsmanager, verantwoordelijk voor industriële planning en ontwikkeling bij een onderdeel van de Divisie Componenten, geeft het volgende beeld. De arbeids- plus kapitaalkosten (de toegevoegde waarde) maken tegenwoordig niet veel meer dan 20 tot 25 procent van de totale kosten van een geassembleerd produkt uit. Wanneer de produktie (meestal in de vorm van assemblage) verplaatst wordt naar een land waar de (directe) loonkosten 75 procent lager liggen, wordt de kostprijs van een produkt maar circa zeven procent goedkoper. Tegenover dit geringe percentage staan aan de andere kant extra kosten omdat transport, importheffingen, de flexibiliteit van de produktie of de infrastructuur van de nieuwe vestigingsplaats vaak minder goed zijn dan die van het land waar de fabriek begon.

Het is dan ook zeer de vraag of een dergelijke uitgebreide operatie tegen een zo gering kostenverschil opweegt, zo luidt de conclusie van Van Breukelen. Na vijftien jaar onderzoek bij 110 fabrieken stelt hij dat Westerse produktievestigingen vaak een grote achterstand hebben op de leidende Aziatische industrielanden. Veel Westerse industrieën kunnen door verhoging van de efficiency van hun produktieproces 20 tot 25 procent van de toegevoegde waarde door arbeid besparen. Doordat veel Westerse ondernemingen een te sterke nadruk hebben gelegd op het maken van nieuwe produkten, is het eigenlijke produktieproces verwaarloosd. Al jaren bestaande kennis over produktieverbetering wordt eenvoudigweg niet gebruikt.

Volgens Van Breukelen is het produktieproces niet effectief doordat er te weinig stapsgewijze verbeteringen in de fabriek plaatsvinden en veel werknemers een laag opleidingsniveau hebben en weinig bijscholing ontvangen. Daarnaast zijn de fabrieken te bureaucratisch en kennen de produktiecycli te lange doorlooptijden. Westerse ondernemingen zijn alleen flexibeler op het gebied van de automatisering en er is minder arbeidsverloop van hoog opgeleid personeel, waardoor de ondernemingen makkelijker ervaringskennis opbouwen.

Van Breukelen is niet pessimistisch over de mogelijkheden van de industrie in het Westen om zich ondanks deze beperkingen te handhaven op de wereldmarkt. Het eigenlijke produktieproces moet dan echter wel opgewaardeerd worden. Van Breukelen wijst op irritaties van de ingenieurs en technici dat het industriële proces in het Westen een ondergeschoven kindje is geworden in tegenstelling tot het Verre Oosten, waar het werken in de fabriek nog steeds in aanzien staat en wordt beloond.

Ondernemers moeten hun houding veranderen, want tot nu toe laten ze veel beschikbare kennis links liggen. Van Breukelen schrijft letterlijk: “Het merendeel van toepasbare, in de praktijk hun waarde bewezen hebbende, methoden en technieken ter verbetering van produkten en werkprocessen, worden door de meeste industriële organisaties niet of nauwelijks toegepast.”

Naast opwaardering van de produktiefunctie bepleit Van Breukelen in navolging van velen voor meer opleiding. Hij ergert zich aan het feit dat voor vrijwel elke functie een postdoctorale opleiding bestaat, behalve voor fabrieksmanagement. Een opleiding die daarin voorziet, zou plaats kunnen vinden aan een speciaal instituut, waar ondernemingen ook terecht moeten kunnen met vragen over verbetering van het produktieproces. Naast opleiding trekt de auteur het aloude pleidooi voor belastingvoordelen uit de kast.

Om Nederlandse industrieën op hetzelfde niveau te krijgen als de Aziatische concurrenten moet rekening worden gehouden met een relatief lange aanpassingsperiode. Van Breukelen merkte in zijn vergelijkend onderzoek dat het vijf tot tien jaar duurt om een bedrijf te optimaliseren: niet alleen het produktieproces moet veranderen, maar ook de bedrijfscultuur. De betrokkenheid van medewerkers moet worden vergroot om voortdurende procesverbetering te stimuleren.

Facts on Factories is een goed onderbouwd pleidooi om meer aandacht te besteden aan industriebeleid in de platte zin van het woord, het verbeteren van het produktieproces. Het is echter de vraag of het proefschrift de desinteresse die de auteur signaleert weet te verkleinen. Buiten de technische universiteiten zijn er weinig managers die zich echt interesseren voor het technische gedeelte van hun bedrijf. Ze zijn te gefixeerd op een evenwichtige verhouding tussen kosten en daadwerkelijke produktie. Daar worden ze eerder op afgerekend dan op het structureel terugbrengen van de produktiekosten.