Een conservatieve geloofsbelijdenis

Twijfel aan de vooruitgang - zo heette het stukje dat ik hier op 30 augustus plaatste. Verscheidene lezers hebben hierop gereageerd in de zin van: maar je kunt toch niet ontkennen dat er in de afgelopen eeuw reusachtige vooruitgang is geboekt op medisch, sociaal en zelfs moreel gebied?

Nee, dat wil ik niet ontkennen, maar zelfs dan hoef ik maar aan één alles overschaduwend feit te denken, dat ik slechts met één woord: Auschwitz, hoef aan te duiden om de vraag te stellen: kunnen we werkelijk van vooruitgang spreken wanneer, in het midden van deze eeuw en in het hart van het werelddeel dat zichzelf het meest beschaafde noemt, zoiets kon gebeuren?

Zeker, er zijn er die zelfs Auschwitz als een teken van vooruitgang uitleggen. De Franse filosoof Jean-Paul Sartre deed dat. In een interview in Le Nouvel Observateur (7 juli 1975) zei hij dat Auschwitz in zekere zin “een aanwijzing is dat er op een bepaald niveau vooruitgang is”. Hier wordt wel een op z'n minst heel eenzijdige betekenis aan dit begrip gegeven.

Maar het was mij in dat stukje van 30 augustus niet zozeer te doen om bepaalde verschijnselen van vooruitgang al dan niet in twijfel te trekken, maar om te constateren dat er de klad was gekomen in het beginsel van de vooruitgang, dat het Westerse denken ruim tweehonderd jaar heeft beheerst - zozeer zelfs dat ten slotte calvinisten er aanhangers van waren geworden.

Deze gedachte nu vond ik, veel grondiger uitgewerkt, terug in de lezing die de historicus Ronald Havenaar onlangs in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag heeft gehouden en waarvan een uitvoerige bewerking te lezen was in de Boekenbijlage van 11 oktober. Ik zou die lezing een conservatieve geloofsbelijdenis kunnen noemen - en u weet: conservatieven geloven niet erg in de vooruitgang als beginsel.

Een korte samenvatting van de kern van Havenaars stelling maakt dat duidelijk. Wij moeten erkennen, zegt hij, “dat de politiek weliswaar de belangrijke opdracht heeft misstanden te bestrijden, maar dat succes bij de vervulling van die taak nog geen vooruitgang betekent. Er dreigt niet alleen altijd terugval, ook roept elke maatregel zijn eigen problemen op”.

De kwestie is deze: “De mens is een tragisch wezen: in zijn universum worden problemen niet opgelost, maar hoogstens beheerst ten koste van nieuwe moeilijkheden. (...) Juist in een democratie is het heel moeilijk dat besef te laten doordringen, omdat ook het democratische stelsel - inclusief zijn belangrijkste politieke groeperingen: de liberalen en de sociaal-democraten - een product is van het vooruitgangsdenken”.

Na de ervaringen met nationaal-socialisme en communisme is het echter nodig dat “de politiek haar eigenwaan afwerpt en erkent dat ook politiek handelen, hoe nuttig en nodig ook, onderdeel blijft van het tragische lot der mensen. (...) Het politiek denken in termen van idealen loopt (...) achter bij de werkelijkheid. (...) Het enige wat de politiek nog rest, is aansluiting zoeken bij een tragisch levensgevoel dat de noodzaak tot matiging respecteert en rekening houdt met de mogelijkheid dat de mens vervalt tot barbarij”.

“Nodig is (...) dat de politiek haar pretenties bijstelt, meer bescheidenheid aan de dag legt en aanvaardt dat we niet vooruitgaan, maar slechts veranderen”. Dat geldt ook voor de Europese 'utopie': “De hooggestemde doelstelling van de eenheid roept (...) slechts een averechts effect op (...). Veel heilzamer zijn pragmatische pogingen nationale belangen op elkaar af te stemmen”.

Dit is een beroep op wat de Britten noemen een limited style of politics, wat als het wezen van conservatieve politiek wordt beschouwd. Die politiek sluit allerminst verbetering van misstanden uit, maar dan in het voortdurend besef van het menselijk tekort - een geseculariseerde versie van het christelijk zondebegrip - maar ook in het besef dat de wereld niet stilstaat, maar voortdurend verandert, ook los van menselijk ingrijpen.

Maar welk etiket ook op deze politiek geplakt wordt - zelf heb ik er geen bezwaar tegen als zo'n politiek van matiging en (zelf)beheersing conservatief genoemd wordt - zij is een politiek die in feite al overal gevoerd wordt, óók door liberalen (die hun Verlichtingsidealen al lang kwijt zijn) en sociaal-democraten.

Alleen: de politieke partijen die in de praktijk zo'n conservatieve politiek voeren, weten dat vaak van zichzelf niet en, als ze het weten, schreeuwen ze het niet van de daken, maar verdoezelen ze het eerder. Waarom? Havenaar geeft in één zinnetje het antwoord: “De schijnwereld der idealen lijkt een onmisbaar houvast”.

Met andere woorden: in het democratisch stelsel, dat, zoals Havenaar zegt, zelf een produkt van het vooruitgangsdenken is, moeten de partijen, willen ze hun aanhang behouden, de illusie van vooruitgang blijven voeden, ook al geloven ze er zelf niet meer in. Die tegenstelling tussen praktijk en beleden ideaal kan de democratie wel eens gaan opbreken. De Partij van de Arbeid gaat er bijna te gronde aan. Het zijn sterke benen die zonder illusie kunnen leven.

Dat is één kanttekening die ik bij Havenaars betoog wil maken - een kanttekening die eerder een aanvulling op, dan een bestrijding van dit betoog is. Een andere kanttekening is deze: in een democratie waarin de partijen hun ideologische veren hebben afgeschud (om de term van Wim Kok te gebruiken) en het hun alleen maar te doen is om het sleutelen aan misstanden, zijn de fundamentele tegenstellingen verdwenen. Ook dat is, op den duur, de dood voor de democratie - want democratie betekent voortdurend debat, en zonder tegenstellingen geen debat.

In feite heeft de Nederlandse democratie die fase al bereikt. Er is een buitenlandse bezoeker voor nodig om je dit te doen beseffen. Een redacteur van The Economist was onlangs in ons land en rapporteert daar uitvoerig over in het laatste nummer (12 oktober). Hij is één en al verbazing: over de 'roerloze politieke vijver', over de 'knusse consensus', over de 'nette, tamme en beschaafde' manier waarop hier de politiek bedreven wordt. De kwestie-Bolkestein, die hier hoog opgespeeld werd (althans voordat zij in de Kamer besproken werd), zou in de meeste andere landen nauwelijks materiaal voor een schandaal opgeleverd hebben.

'Te mooi om waar te zijn?', luidt dan ook de kop boven zijn artikel, maar dat vraagteken vindt amper weerklank in het artikel zelf, dat besluit met de opmerking dat Nederland een goede kans maakt op de titel van succesrijkste land van Europa.

Succesrijk, maar (in de ogen van de buitenlander) wel heel vervelend. Betekent dood in de pot ook dood van de democratie? Ach, in grote omwentelingen is ons land nooit gidsland geweest. Een in wezen conservatief land dus, ondanks de vooruitstrevendheid waarop het zich laat voorstaan. Dus ook een enigszins schijnheilig land?