Drie portiers met losse handen

“En dan nu de zaak van de mattende portiers”, zegt de Haagse politierechter, mevrouw mr. A. van Haeringen, tegen de officier van justitie en de griffier.

Het lijkt een adequate omschrijving van wat ons te wachten staat. Buiten op de gang hadden we de verdachten al mogen aanschouwen: drie breed uitgedijde mannen, in de spierkracht van hun leven. Ze waren druk aan het praten in een draagbare telefoon, want het leven gaat door, ook als je naar de rechter moet. En in sommige kringen hééft het misschien ook wel iets om te kunnen zeggen: “Ja, ik sta hier in het gerechtsgebouw, het begint zo.”

Bons, Keffel en Rats zijn werkzaam als portier in een bekende disco in een Zuidhollandse badplaats. Keffel en Rats doen dat werk al respectievelijk tien en twintig jaar, voor Bons is het meer een bijbaantje: in het normale leven is hij gevangenisbewaarder. Als portier werk je toch enigszins in dezelfde sfeer, zal Bons denken, maar het is onbekend of zijn gevangenisdirecteur het met hem eens is.

De mannen zouden in 1994 en 1995 enkele malen bezoekers van de disco fiks hebben afgetuigd. De aanklacht is vooral interessant omdat portiers vaker dit soort mishandelingen wordt verweten, zonder dat het tot vervolging leidt. De slachtoffers doen dan geen aangifte, of de zaak wordt bij gebrek aan bewijs geseponeerd. Er hangt zo langzamerhand, al dan niet terecht, een kwade geur rond de portiers van dergelijke disco's.

Voor de rechter zijn het geen gemakkelijke zaken, want wie moet je geloven? Misschien zijn Bons, Keffel en Rats wel gemoedelijke krachtpatsers die geen vlieg kwaad doen, tenzij ze er héél gemeen door gestoken worden. Maar hoe valt twee jaar na dato het gedrag van die vlieg in te schatten?

Laten we eens luisteren naar het verhaal van de bezoekers, de heren X. Y. en mevrouw Z. Op 2 september 1994 stond X. met ontbloot bovenlijf op de discovloer te dansen toen Bons en Rats op hem afkwamen. De portiers duwden hem, al schoppend en slaand, naar de uitgang. Y. probeerde hem te helpen en liep ook enkele klappen en karatetrappen op. Bons pakte bovendien een barkruk en sloeg op Y. in, waarbij hij een scheur in diens oor veroorzaakte. Een andere portier sloeg mevrouw Z. de bril van de neus toen ze vroeg wat er aan de hand was.

Maar dit vertelt Rats aan de rechter: “De toiletjuffrouw zei dat er klachten van de klanten waren. Een man had zijn T-shirt uitgetrokken en sprong tegen mensen aan. Ik heb hem aangesproken. Hij duwde me weg, zei dat hij ook op het strand zo liep. Bons en ik pakten hem ieder bij een arm. Hij verzette zich hevig, iemand viel ons van achteren aan, mijn collega en ik kwamen op de grond terecht, we konden overeind komen, en op dat moment moet je als portier iets doen. Ik betreur dat, maar het kon niet anders.”

“Als iemand zijn T-shirt uittrekt, moet dat dan in zo'n vechtpartij ontaarden?” vraagt de rechter.

“Het is een leuk verhaal van die lui”, zegt Bons, “maar een van hen stond op mij in te trappen.”

Tot zover klinkt het verweer van de portiers niet onredelijk. Per slot van rekening hadden alle betrokkenen - dus ook de portiers - lelijke verwondingen, zoals een kaakfractuur. Maar dan komen de schermutselingen op andere data in dezelfde disco ter sprake.

Rats zou op 5 mei 1995 twee tanden uit het gebit van een jonge bezoeker hebben geslagen. Het was sluitingstijd en de jongen beweerde dat hij nog 2 gulden 50 te goed had voor een niet-gespeeld biljartspel. “Wacht jij maar buiten”, had Rats gezegd. Daar kreeg de jongen, in het bijzijn van anderen, een forse dreun van Rats.

Rats haalt zijn schouders op. “Die jongen komt buiten naar mij toe, hij tikt op mijn gezicht. Toen pakte ik zijn rechterarm, maar ik heb hem pertinent niet geslagen.”

“Hoe raakt hij dan twee tanden kwijt?” vraagt de rechter.

“Hij kwam met zijn gezicht tegen mijn voorhoofd.”

Op een andere dag had Rats een lastige bezoeker in de wurggreep genomen en tegen de rug geslagen. Zo maak je als portier nog heel wat oefenuurtjes naast de wekelijkse training op de boks- of worstelclub.

De portier Keffel, qua schouderbreedte de bescheidenste, had een jongen die zijn overjas niet wilde uitdoen, vol in het gezicht geraakt. Keffel sloeg, beweert de jongen, maar volgens Keffel raakten hun hoofden elkaar - dit is kennelijk een geliefd eufemisme in portierskringen.

De beschuldigingen beginnen zich bij de rechter inmiddels lelijk op te stapelen. Keffel merkt dat en besluit tot een tegenoffensief, overigens zonder wurggreep of karatetrap.

“Het was om niks”, zegt hij. “Mééstal is het om niks. Maar wij zijn altijd de gebeten hond. In zo'n weekend komen er bij ons 2.000 tot 3.000 mensen binnen. Velen hebben stevig gedronken. In deze badplaats wordt door de jeugd ook veel xtc gebruikt, ze hebben geen andere uitlaatklep. Als portier moeten wij tegelijk politieagent en schoolmeester zijn. Het is een lastig vak. Ik hoop dat u daar in de strafmaat rekening mee houdt.”

Zijn advocaat, mr. G. Menick, begint te lachen: hier wordt hem werk uit handen genomen.

“U bent nu tien jaar in dit vak, meneer Rats zelfs twintig jaar - is dat niet lang voor zo'n vak?” vraagt de rechter bezorgd.

“Ja.”

“Ik kan me voorstellen dat er dan een beroepsdeformatie optreedt.”

Deze suggestie gaat Keffel iets te ver. Ze mogen wel iets van zijn beroep zeggen, maar ze moeten het niet bekladden. “De sociale kant van ons vak is leuk”, zegt hij scherp. “Negen van de tien dagen is het heel aardig werk. De meeste klanten waarderen ons. Wij lossen veel conflicten verbaal op.”

Wat niet voor de drie portiers pleit, is het feit dat zij al eerder met justitie in aanraking zijn geweest voor geweldpleging. Ook Bons, de gevangenisbewaarder.

“Jullie moeten toch in staat zijn om dronken mannen op een nette manier te verwijderen”, zegt de officier van justitie, mevrouw mr. J. van Gelder. Zij eist vier maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf tegen Rats, een maand tegen Bons, en duizend gulden en een maand voorwaardelijk tegen Keffel.

“Mijn cliënten handelden uit noodweer”, zegt de advocaat.

“Nee”, zegt de officier, “noodweer geldt alleen als je geen kant op kunt. Zij hadden de politie kunnen bellen.”

De rechter is het met haar eens, maar zij zwakt desondanks in haar vonnis vooral de eis tegen Rats behoorlijk af: 1.000 gulden en een maand voorwaardelijk. Keffel krijgt 500 gulden boete en twee weken voorwaardelijk, Bons 750 gulden en twee weken voorwaardelijk. “Ik houd er rekening mee dat ook de slachtoffers niet helemaal vrijuit gaan”, zegt de rechter.

De heren reppen zich met onbewogen gezichten naar de gang, waar zij dankzij de wonderen van de mobiele telefonie het thuisfront van het laatste nieuws kunnen bedienen.

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.