Deftig-heftige jazz in Grote Zaal voor gezapig gehoor

Concert: Dutch Jazz Orchestra olv Jerry van Rooyen met werk van Billy Strayhorn; Mingus Big Band. Gehoord: 14/10 Concertgebouw Amsterdam. Herhaling Mingus Big Band: 15/10 De Singel Antwerpen.

Jazz in de Grote Zaal van het Amsterdams Concertgebouw - hoe klonk dat ook al weer? Alleen zij die in de jaren zestig de roemruchte nachtconcerten kunnen hebben meegemaakt, konden gisteravond een zinnige vergelijking maken. Onder hen waren enkele eminente jazz-aficionado's zoals politicus Maarten van Traa, nieuwslezer Joop van Zijl en Concertgebouwdirecteur Martijn Sanders zelf. Muzikanten die je doorgaans in jazzclubs aantreft waren opvallend afwezig, wat te maken kan hebben met de forse entreeheffing.

Als eerste van vier concerten was voor een dubbel programma gekozen: het Dutch Jazz Orchestra mocht de zaal opwarmen met werk van Billy Strayhorn, waarna de Amerikaanse Mingus Big Band het roer overnam. Deze deftig-heftige combinatie was waarschijnlijk bedoeld om traditionele jazzfans en onwennige klassieke muziekgangers niet meteen weg te jagen voor de rest van het seizoen. Die opzet slaagde, zij het dat de grote opkomst enigszins werd geflatteerd door een contingent genodigden van sponsor Heineken.

Zowel het Dutch Jazz Orchestra als de Mingus Big Band behoren tot een groeiende groep orkesten die zich toelegt op bestaand werk uit de jazzgeschiedenis. Repertoire-orkesten zijn in de jazz nogal eens meewarig aangekeken, omdat 'reproduktie' geen recht zou doen aan het spontane karakter van deze muziekvorm. Maar beide orkesten tonen aan dat dit onterecht is. Het is juist een uitdaging je te bewegen in een beperkte ruimte. En waarom zou je het wiel opnieuw uitvinden, als je een hele garage tot je beschikking hebt?

De charme en schoonheid van enkele onlangs ontdekte composities van Ellingtons huiscomponist Billy Strayhorn (1915-1967), geschreven rond 1940, is van een andere orde als die van de stukken van bandleider en bassist Charles Mingus (1922-1979), die het merendeel van zijn oeuvre in de jaren vijftig en zestig schreef. Dat verschil kwam ook tot uitdrukking in de presentatie van de twee bands: het DJO een beetje stijfjes, ondanks het showmanship en de kwinkslagen van leider Jerry van Rooyen. De uitvoeringen, die enige tijd geleden op cd zijn vastgelegd, waren vlekkeloos. De Mingus-groep daarentegen gedroeg zich als een ongehoorzame, chaotische workshopband, precies zoals Mingus in gedachten had. Een niet onbelangrijk detail was dat deze band zich elektrisch liet versterken. Het oprispende gescheur van de kopersectie, bijvoorbeeld in de stukken No. 29 en Disabuse my passion, kwam daardoor extra hard aan. Op de aanwezige luisteraars had dat trouwens geen zichtbare impact - zelfs tijdens de heftigste passages bleef men als wassen beelden op het pluche zitten.

Mingus moet een van de meanest cats uit de jazz zijn geweest, die met vrijwel iedereen de vloer aanveegde, critici en platenproducenten voorop. “Ik heb ze weer te grazen genomen,” zei hij volgens zijn vrouw Sue als hij voor een optreden de zaal vol zag lopen. In 1964 speelde hij voor het laatst in het Concertgebouw. Als Mingus de muisstille stoet van nu naar buiten zou hebben zien stiefelen, had hij ongetwijfeld wéér zijn hoofd geschud.