De stad dreigt aan beleid ten onder te gaan

Het Nederlandse stedenbeleid wordt gekenmerkt door een wirwar van regelingen en langs elkaar heen lopende departementale bemoeienissen. Het is dan ook hoog tijd dat alle plannen op elkaar worden afgestemd, vindt Jan Franssen. De stad mag geen opvangplaats voor alleen kansarmen worden.

Eeuwenlang was de groei of de teruggang van steden een zaak van de steden zelf. Dat was uiteraard niet alleen afhankelijk van de opvattingen van de stadsbestuurders, maar ook van factoren als welvaart of armoede, ligging of industrialisatie, om er een paar te noemen. Maar in ieder geval niet van sterke sturing door het rijk.

Die bemoeienis van het rijk begint eigenlijk pas écht in de jaren vijftig met nota's en beleid op het gebied van de ruimtelijke ordening. Door de sterke bevolkingsgroei na de Tweede Wereldoorlog zag het rijk het als zijn opdracht te zorgen voor voldoende woningen en werk en wel op een doordachte manier verspreid over het land.

De sinds 1936 uitgebrachte rijksnota's over ruimtelijke ordening leggen steeds meer nadruk op een bundeling van wonen, werken en verzorgen in enkele tientallen grote en middelgrote steden in Nederland. Dat ordenen en sturen door het rijk is sindsdien gebleven. Tot profijt van de steden die konden en kunnen meeëten uit de soms meer, soms minder gevulde rijkspotten. En dat is ook goed, want de problemen van de steden zijn zeker ook de problemen die het rijk zich moet aantrekken.

Wat echter begon als een rechttoe rechtaan ordening is nu uitgemond in een wirwar van departementale, soms wollige beleidsconcepten, waar steden met man en macht op proberen in te spelen om de boot en vooral de post niet te missen. Uiteraard geldt dit verwijt niet het rijk alleen; de steden zelf vroegen en vragen voortdurend om middelen en instrumenten om hun stedelijke problemen op te lossen. En voor de duidelijkheid: ik ben zeker niet tegen de bemoeienis - of positiever gezegd - de aandacht van het rijk, maar ik krijg steeds meer moeite met de vorm die deze aandacht en sturing krijgt.

Als we alleen al kijken naar de nu geldende beleidsplannen, dan zien we een scala aan onderwerpen. Alle steden met een regionaal verzorgende functie nemen wel deel aan één of meer initiatieven.

Een paar voorbeelden:

- Het stedelijke knooppuntenbeleid: een initiatief van het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VROM) gericht op ruimtelijke en economische versterking van dertien steden of stedencombinaties in Nederland.

- Stadsgewestbeleid: eveneens afkomstig van het ministerie van VROM, gericht op een concentratie van wonen en werken in 23 stadsgewesten met afspraken over de woningbouw voor de komende tien jaar.

- Stadsvernieuwingsgemeenten: opnieuw uit de koker van het ministerie van VROM, gericht op de vier grote en een aantal middelgrote steden die geld krijgen voor investeringen in de stadsvernieuwing.

- Corridorbeleid: afkomstig van Economische Zaken, gericht op het stimuleren van stedelijke knooppunten om bedrijventerreinen te ontwikkelen voor internationaal opererende industrieën en transport- en distributiebedrijven.

- Grote-stedenbeleid: een initiatief van Binnenlandse Zaken, gericht op het versterken van sociale en economische structuren in 25 steden (G4, G15, G6).

- Stadsprovinciebeleid: afkomstig van Binnenlandse Zaken en gericht op de vier grote steden en hun regio's, en daarnaast op de regio's Eindhoven, Arnhem/Nijmegen en de Twentse steden.

- C20-stedenbeleid: ook van Binnenlandse Zaken, gericht op het versterken van de functie van centrumgemeenten, waar nodig door middel van gemeentelijke herindeling, zodat deze steden zich verder kunnen ontwikkelen.

Er is uiteraard nog meer rijksbeleid dat in de praktijk gestalte krijgt in de steden, zoals bijvoorbeeld op het terrein van het onderwijs of de ziekenhuisvoorzieningen.

Een lichtpunt is het Grote-stedenbeleid van het rijk dat wèl aanzetten kent tot ontschotting. Daarvoor verdient dit kabinet een compliment, hoewel deze beleidsopzet zeker ook door de druk en bemoeienis van de betrokken grote steden zo tot stand is gekomen. Maar bij deze positieve constatering moet het vooralsnog blijven.

Alle beleidsplannen bevinden zich in verschillende fasen van voorbereiding of uitvoering en zijn onder de hoede van, ook weer verschillende (onderdelen van) departementen. Er zijn geen dwarsverbanden gelegd. Sommige plannen zijn heel specifiek. En de steden proberen - soms met de tong op de schoenen - om de verschillende cycli van die beleidsideeën bij te houden. Kortom, een verbrokkelde ondersteuning, via plannen die elkaar soms overlappen, soms wel, soms niet opvolgen, die niet op elkaar zijn afgestemd. Het enige gemeenschappelijke is dat zij gericht zijn op de versterking van de stad. Dat is op zichzelf positief, maar door de verkokering, door het ontbreken van dwarsverbanden, komt die versterking niet tot haar recht.

De huidige problemen van de steden zijn genoegzaam bekend. Maar er zijn nieuwe, andere problemen in aantocht. Zo zal de opkomst van de elektronische snelweg voor de steden grote gevolgen hebben. Bepaalde activiteiten zullen 'footloose' worden. Mensen hoeven bij wijze van spreken de deur niet meer uit om produkten of diensten in de stad te kopen. Bezoekers blijven weg uit de stad en de bedrijven kunnen zich bij wijze van spreken in het weiland vestigen. Dit zijn ontwikkelingen die zich natuurlijk niet alleen in de steden afspelen, maar in het hele land. Voor de steden zullen zij echter grote en mogelijk desastreuze gevolgen hebben. In steden bevinden zich de grootste concentraties van diensten en van activiteiten. En dat is nu juist de meerwaarde van de stad.

En wat zijn de gevolgen voor de stad van de individualisering van onze samenleving, van de vergrijzing, of, iets geheel anders, van de 24-uurs economie? Te denken valt ook aan de toename van de mobiliteit, die de capaciteit van de beschikbare infrastructuur overstijgt, waardoor steden straks onbereikbaar worden. Organisaties, bedrijven, burgers met kansen grijpen straks hun kansen buiten de stad. Wat achterblijft in de stad is kansarm. Fysiek verdwijnt de stad dus niet, maar de functie als motor, als broedplaats van vernieuwingen, als ontmoetingsplaats, die verdwijnt. De dynamiek gaat eruit.

De grote vraag is wat straks de positie en de functie van de steden zullen zijn. Een blauwdruk bestaat niet, maar er valt wel een richting aan te geven. Er moet voor worden gewaakt dat er ongewenste en niet meer terug te draaien maatschappelijke tegenstellingen ontstaan. We moeten voorkomen dat Nederland straks uit een brij van suburbane woon- en werkmilieus bestaat met hier en daar wat onttakelde stadscentra die dienen als verblijfplaats voor de kansarmen.

In de stad van de toekomst moeten bedrijven het nog de moeite waard vinden zich daar te vestigen, ondanks het feit dat ze ook in het weiland zouden kunnen functioneren. In die stad vindt namelijk de ontmoeting plaats tussen mensen. In die ontmoetingsfunctie ligt de aantrekkelijkheid. Daar vindt vernieuwing plaats. Doordat die functie goed gestalte krijgt, is het interessant daar bij te zijn, waardoor een concentratie van winkelen, cultuur, recreatie en verzorging in stand blijft. Waardoor wonen en werken in en of direct rond de stad aantrekkelijk blijft. En waardoor een pluriforme opbouw van de bevolking mogelijk blijft.

Steden kunnen dan blijven functioneren als plaatsen waar welvaart en welzijn veilig zijn gesteld. Of anders gezegd als condensatieplaatsen van maatschappelijk, cultureel en economisch handelen. De stad moet een broedplaats en een motor blijven voor nieuwe ontwikkelingen.

Om dat te bereiken moeten we nu al een aantal acties ondernemen. Allereerst zullen de steden zelf een duidelijke toekomstvisie moeten ontvouwen. Maar ook het rijk moet nù al beginnen met het ontwikkelen van een stedenbeleid voor de toekomst. Daarvan moeten ruimtelijke, economische en sociale aspecten deel uitmaken. De huidige stroperigheid in de interdepartementale contacten moet verdwijnen.

Dit beleid moet als het ware een gemeenschappelijke noemer zijn, op grond waarvan het rijk met afzonderlijke steden tot afspraken komt over de oplossing van (te verwachten) knelpunten. Het rijk moet om toekomstige problemen van de steden tegen te gaan gedurende een lange periode geld beschikbaar stellen.

Het rijk zal moet bovendien erkennen dat naast de provincie ook de steden door hun beleid een zekere regie uitoefenen over hun omgeving. Verder zal het rijk de positie van steden moeten ondersteunen door suburbanisatie tegen te gaan. . Steden moeten instrumenten krijgen om een heterogene wijkopbouw mogelijk te maken en de drugsproblemen aan te pakken.

Ten slotte zal in het kabinet een politieke regiegroep met een sterke rol voor de premier en de vice-premier daadwerkelijk sturing aan het proces van het stedenbeleid moeten. De Tweede Kamer en de regering zullen met het oog op de toekomst nu al een begin moeten maken met dit alles; de aanstaande begrotingsbehandeling van Binnenlandse Zaken is daarvoor een mooi moment.