Bijbelteksten

Bij een geestelijke denk je al gauw dat hij zijn woorden en gedachten zal verbinden aan een bijbeltekst. Zo dacht ik dat mgr. Muskens bij zijn verdediging van diefstal van brood zich zou willen verdedigen met de bijbeltekst I Cor. 15:32: 'laten wij eten en drinken, want morgen gaan we dood' (Willebrord vertaling) van zijn ironische bedoeling zou kunnen ontdoen.

Hij zou hem kunnen vervormen tot: 'laat ze maar eten en drinken want als morgen het geld op is mogen ze gerust gaan stelen'. Maar nee, zijn verdediger in NRC HANDELSBLAD(4 oktober), Herman Amelink, weet een veel listiger methode om een bijbeltekst averechts te gebruiken.

Dat men zou komen met het jubeljaar, dat waarschijnlijk nauwelijks heeft gefunctioneerd, had ik verwacht, maar de heer Amelink voelt waarschijnlijk wel dat dit argument niet overtuigt; het jubeljaar was duidelijk bedoeld om in een agrarische maatschappij met weinig groeimogelijkheden consumptief krediet niet tot een uitzichtloze last voor de schuldenaars te laten worden.

Nee, er wordt gegrepen naar Spreuken 6:30: 'Men veracht een dief niet, wanneer hij steelt om zijn begeerte te bevredigen, als hij honger heeft, maar betrapt zijnde, moet hij zevenvoudige vergoeding geven'. Bij zeer oppervlakkige lezing lijkt hierin een verdediging van diefstal in nood te staan, maar bij nader inzien staat hier bijkans het omgekeerde, namelijk: men vindt diefstal uit nood niet zo erg dat men zo'n dief verachtelijk zou achten, maar als 't er op aankomt is het wel een misdrijf zodat de dader wel degelijk tot vergoeding verplicht is en straf moet ondergaan. Maar bovendien: de tekst uit Spreuken staat in het kader van waarschuwing tegen overspel; het gaat er dus niet om een uitspraak te doen over diefstal, dat dient alleen als voorbeeld en is op zichzelf niets meer dan een simpele constatering hoe het gaat.

Overigens is ook de diefstal van het brood niet de zaak waarom het oorspronkelijk ging, maar om het zogenoemde zwart bijklussen door mensen die bijstands- of WAO-uitkeringen ontvingen. En dan is het voor kerkleden als schrijver dezes beschamend te moeten opmerken dat de duidelijkste afkeuring van het in bescherming nemen door mgr. Muskens van dit misbruik van sociale voorzieningen (dus bedrog en diefstal van de gemeenschap) niet komt uit de mond van in het kerkelijk leven op de voorgrond tredende personen als van de voorzitter van de Generale Synode van de Hervormde Kerk of kardinaal Simonis, maar uit die van buiten de kerk staanden als het Kamerlid, mevrouw Noorman-den Uyl en premier W. Kok.