Storm van protest in Brussel over sanering visserij

ROTTERDAM, 14 OKT. De ontmoeting van de ministers van Visserij van de vijftien lidstaten van de Europese Unie in Luxemburg die vandaag begint, zal zonder twijfel gepaard gaan met stormen van protest. Het voorstel van Europees commissaris voor de visserij, de Italiaanse Emma Bonino, om de komende zes jaar te komen tot een verdergaande vangstreductie van veertig procent op de bestaande quota wacht 'een warm onthaal', zo voorspellen ambtenaren die nauw bij het beraad van de ministers betrokken zijn.

Een keiharde botsing over nieuwe vangstvoorstellen werd in juni al voorzien, toen het 'haringdrama' zich voltrok, maar de spanningen over dat dossier legden het toen af tegen de onderhandelingen rond de gekke-koeienziekte (BSE) en het wankele akkoord dat daarover werd voorbereid voor de top in Florence. Duidelijk was toen echter al dat zowel het Verenigd Koninkrijk als Frankrijk de voorstellen van Bonino onaanvaardbaar zouden vinden.

Maar het werkelijke debat daarover vindt traditioneel plaats in het najaar en mevrouw Bonino heeft het zinnig gevonden zestig bijeenkomsten te beleggen met landelijke en plaatselijke overheden en vissers, her en der in de Unie, om duidelijk te maken waarom vergaande maatregelen meer dan ooit noodzakelijk zijn.

Elk lid van de EU heeft nu echter zijn argumenten om niet akkoord te kunnen gaan met Bonino's voorstellen. Spanje bijvoorbeeld, het land met de grootste vissersvloot, heeft de capaciteit van zijn visserij teruggebracht van 650.000 naar 450.000 ton in de afgelopen tien jaar en vindt dus dat het voorlopig uit de wind mag worden gehouden.

Hoewel alle lidstaten afzonderlijk onderschrijven dat te veel vissers op te weinig vis azen, blijft de oplossing van dat probleem een twistappel. De agenda van vandaag is dus nogal kaleidoscopisch van aard. Het gaat niet alleen om voorstellen tot vangstreducties op grond van wetenschappelijke gegevens omtrent visstanden, maar ook om steunmaatregelen voor die gemeenschappen in elk Europees land, die zo afhankelijk zijn van de visserij. De betrokken ministers moeten dus elk agendapunt nauwkeurig in de gaten houden, omdat alle punten zich als communicerende vaten tot elkaar verhouden. Het Ierse voorzitterschap, dat er in juni vanuit ging dat het 'visserij-dossier' in november wel geregeld zou zijn, wordt nu door de betrokkenen als “tamelijk optimistisch” gezien.

Zo heeft de Britse minister van Visserij op voorhand geëist dat het afgelopen moet zijn met het zogeheten 'quota-hoppen'. Het gaat daarbij om vissersschepen, die dan weer onder de ene, dan weer onder de andere vlag varen om zo in elke lidstaat mee te profiteren van nog niet volgeviste quota. Andere lidstaten zeggen dat een voorgestelde vermindering van toegestane vangsthoeveelheden zorgt voor een onaanvaardbare werkloosheid in die regio's die vrijwel volledig afhankelijk zijn van de visserij. Gebieden waar nauwelijks andersoortige werkgelegenheid te realiseren valt. Dat zullen opnieuw de Britten zijn, die volgens andere lidstaten om die reden weinig tot niets hebben gedaan om de naleving van de quota te controleren. Met name in Schotland zouden de toezichthoudende organen er bewust een potje van maken.

Berekeningen van mevrouw Bonino die uitwijzen dat een sterke vangstreductie nauwelijks invloed heeft op verlies van arbeidsplaatsen heeft de meest betrokken lidstaten niet erg kunnen overtuigen. “De Commissie wordt ervan beschuldigd hier en daar veertig procent van de nationale vloot te willen elimineren,” stelde Bonino vorige week nog. “Maar dat is een valse voorstelling van zaken.”

Zij legde er bij die gelegenheid de nadruk op dat een reductie van veertig procent op vangsten alleen die vis aangaat die het meest bedreigd is. Daarbij gaat het om kabeljauw, sardines en schelvis, terwijl voor tropische tonijn, haring uit de Baltische zee en sprot helemaal geen verdergaande maatregelen worden voorgesteld.

Dat alles neemt niet weg, meent Bonino, dat de vloot hoe dan ook moet inkrimpen. “Dat is absoluut noodzakelijk en bovendien de enige garantie dat de vangstcapaciteit blijvend verminderd wordt.” Met name Nederland en het Verenigd Koninkrijk lopen sterk achter op het saneringsprogramma dat was vastgesteld voor de jaren '92 tot en met '96. Groot-Brittannië doet pogingen om van die doelstelling tien procent af te krijgen door schepen niet echt te saneren, maar aan de wal te houden.

Bonino wil de lidstaten wel een beetje tegemoetkomen, maar niet op het essentiële punt van vangstreductie. Zo zou zij ook kunnen instemmen met andere vangstmethoden of grotere zones rond de lidstaten die met rust worden gelaten. Bovendien zouden kleine schepen, die vlak onder de kust vissen en feitelijk de - cijfermatig - grootste vloot uitmaken en aan de meeste vissers werk geven, buiten de voorstellen kunnen worden gelaten.

De Commissie wil de landen die problemen hebben met de visserij-voorstellen ook tegemoetkomen. Daarvoor heeft de EU voor de komende jaren een bedrag van 460 miljoen ecu per jaar uitgetrokken, oplopend tot eventueel een totaal van 2,8 miljard ecu voor de periode '94 tot '99. De betrokken ministers van de lidstaten van de Europese Unie zouden echter ook structurele steunmaatregelen zien voor de jaren daarna, met name de eerste twee jaren van de volgende eeuw, tot de visstanden weer op een zodanig niveau zijn dat verantwoord vissen mogelijk is.

Maar bij dat alles zullen naar verwachting ook de gegevens van Bonino onder vuur worden genomen. Zo blijven traditioneel de wetenschappelijke bevindingen waarop de Commissie zich baseert kwetsbaar en vatbaar voor verscheidene vormen van uitleg. Uit meer recente metingen blijkt bijvoorbeeld dat de visstanden in de Baltische wateren zich voorspoediger herstellen dan steeds werd aangenomen.

Een ander argument dat zonder twijfel door sommige lidstaten naar voren wordt gebracht is dat de nalevingsmethoden en de controle daarop beter zijn dan in het verleden. Dat wordt door anderen dan weer betwijfeld of keihard aangevochten. Er kan echter geen twijfel aan bestaan dat het visserijdebat van einde 1996 langduriger en venijniger zal zijn dan in voorgaande jaren, hetgeen uiteindelijk moet resulteren in quota die naar verwachting tussen Kerst en Nieuwjaar pas echt duidelijk zullen zijn.