Snelle, karaktervolle lijnen

Tentoonstelling: Meesters van het licht. Luministische schilderkunst in Nederland en Duitsland. T/m 8 december in de Kunsthal, Museumpark, Rotterdam, tel. 010-4400300. Open: di-za 10-17 u, zo 11-17 u.

Wat hebben kunstenaars als Heinrich Campendonk, Piet Mondriaan, Jan Toorop, Leo Gestel, Johan Thorn Prikker, Curt Hermann, Jan Sluyters, Helmuth Macke, Jacoba van Heemskerck en Christian Rohlfs met elkaar gemeen? Het antwoord luidt dat zij aan het begin van deze eeuw allemaal korte of langere tijd gewerkt hebben in luministische stijl. Wie een mooie greep uit het werk van bovengenoemde kunstenaars - en van nog veel meer van hun geestverwanten en tijdgenoten - wil zien, kan deze herfst in de Rotterdamse Kunsthal terecht. Onder de weinig tot de verbeelding sprekende titel Meesters van het licht ontvouwt zich hier een grote tentoonstelling waarvan de boodschap misschien niet uitblinkt door helderheid maar die niettemin zeer boeiend is. Dat is niet in de laatste plaats te danken aan de krachtige persoonlijkheden van de gepresenteerde kunstenaars. Jan Sluyters' expressionistische Maannacht IV (1912) bijvoorbeeld, uit particulier bezit, met zijn intense tinten groen, rood en blauw die een glinsterend roze rivier omsluiten, staat als een huis. Alleen al dit grote schilderij, dat het prachtig doet in de door architect Hubert Jan Henket met stevig blauw ingerichte zalen van de Kunsthal, is een reis naar Rotterdam waard. Ook de Herfst van Leo Gestel, met zijn gouden stralen, of diens absoluut zinderende 'Herfstbomen', zou elke tentoonstelling dragen.

De tentoonstelling reisde in de afgelopen maanden al langs drie Duitse musea en werd voor een deel door Duitse kunsthistorici georganiseerd. Het uitgangspunt van deze tentoonstelling is eenvoudig. De stelling luidt dat het Nederlandse luminisme grote invloed heeft gehad op de ontwikkelingen van de Duitse moderne kunst. En dan gaat het speciaal om de kunst in de Rijnstreek, met centra als Krefeld en Hagen. Karl Ernst Osthaus (die door Henri Van de Velde in Hagen een mooi museum voor zijn collectie liet bouwen) heeft de moderne kunst in dit gebied sterk gestimuleerd. Ook de in België geschoolde Nederlander Johan Thorn Prikker speelde hierin een grote rol, nadat hij in 1904 als docent door de Kunstgewerbeschule in Krefeld was aangetrokken.

We zien werken van Heinrich Campendonk en Christian Rohlfs die uitgevoerd zijn in dezelfde ietwat nerveuze penseelstreek als Prikker en Van de Velde al in de jaren negentig van de vorige eeuw hanteerden en die ergens tussen het im- en het expressionisme in ligt. Maar daarmee houdt de vergelijking dan ook op. Waar Prikkers en Van de Veldes uitgebalanceerde tekeningen met gekleurde potloodstreepjes subtiel en zoekend aandoen - en in zekere zin nog direct bij de art nouveau aansluiten - is het werk van de Duitse leerlingen stoer, soms bravoerig, vet en overdreven. Over het algemeen geven ze een grove interpretatie van hun onderwerp.

Volgens de boodschap van de tentoonstelling is het werken met kleine korte strepen en streepjes (expressiever en minder bestudeerd dan de stippeltjes van het neo-impressionisme) kenmerkend voor het luminisme. Luminisme staat, zoals de Nederlandse criticus Conrad Kickert het in 1908 in een tentoonstellingsbespreking voor het eerst formuleerde, voor ontleding van kleuren, karaktervolle lijnen en een snelle, directe penseelvoering. Kortom, het Van Gogh-effect, om het maar even te profaniseren. Het zuivere luminisme heeft maar kort bestaan, zo blijkt op de tentoonstelling. De stijl ontwikkelde zich vanaf 1905, toen in Amsterdam voor het eerst een grote Van Gogh-tentoonstelling werd georganiseerd, en in 1910 was het van het ene op het andere moment alweer gedaan met het luminisme. Althans bij de nieuwlichters.

Hoe snel de ontwikkelingen gingen blijkt uit twee bloemstillevens van Jan Sluyters die, zo klein als ze zijn, als het ware de hele Kunsthal in bloei zetten. Het oudste, uit 1910, is expressief door zijn naast elkaar gezette vegen in stevige kleuren. Bij het tweede doekje van een jaar later zijn alle vlekken en strepen verdwenen en zit de kracht juist in de stilering. Grote, intense kleurvlakken hebben de functie van de persoonlijke streek overgenomen.

In Rotterdam wordt goed duidelijk dat 1910 een magische scheidslijn markeert. Dat jaar vinden we niet alleen een abrupte overgang naar een vlakkere, of liever rustigere, penseelvoering in Sluyters' bloemetjes, maar ook in zijn landschappen. Eenzelfde omslag tekent zich bovendien af in het werk van Leo Gestel en ook bij Piet Mondriaan.

In deze heldere afbakening van het luminisme en de nadruk op de luministische fase in het werk van onze drie belangrijkste modernisten - Sluyters, Gestel en Mondriaan - ligt tegelijkertijd ook de onduidelijkheid van de tentoonstelling. Want Thorn Prikkers negentiende-eeuwse streepjes mogen dan naar Duitsland zijn gereisd, die van Jan Sluyters zijn veel moderner en kwamen uit Frankrijk, bij onze oosterburen hebben ze nimmer invloed gehad. Bovendien is het getoonde Duitse werk, zelfs dat van de latere expressionisten Campendonk en Rohlfs, nauwelijks anders dan als fenomeen interessant en kwalitatief absoluut niet te vergelijken met de topstukken van hun Nederlandse tegenhangers. Maar voor hen was het luminisme een essentiële fase in hun ontwikkeling, terwijl het bij de Duitsers in een oppervlakkig maniertje bleef steken, een maniertje dat hoogstens de latere vernieuwingen van de schilders niet in de weg stond. En daarmee maakt het tentoonstellingsconcept in mijn ogen een fikse smak. Wat echter blijft staan is dat het onderbelichte Nederlandse luminisme ons hier in al zijn glorie verleidt - wat veel waard is.