Multinationals willen debat met samenleving aan

Het wordt tijd voor een openbare discussie over het gedrag dat de samenleving verwacht van multinationale ondernemingen. Shell-topman Cor Herströter geeft een aanzet voor die discussie.

Midden in dit spanningsveld van verwachtingen hebben wij ervaren dat wij met meer nadruk moeten luisteren en van gedachten wisselen. We hebben gemerkt dat we alleen een beter inzicht in de veranderingen kunnen krijgen door meer te communiceren, zowel binnen ons bedrijf als daarbuiten. Dit was een zeer interessante ervaring, omdat we hebben gemerkt dat de hoger gespannen verwachtingen niet gepaard gingen met een even grote toename in vertrouwen. In feite was het juist andersom. Het vertrouwen in bedrijven is afgenomen, net zoals dat het geval is met het vertrouwen in regeringen, in traditionele religieuze instellingen en internationale instellingen en lichamen.

Deze ontwikkelingen hebben voor ons in Shell en in bijna alle andere grote internationale organisaties dilemma's gecreëerd. Of het nu gaat om een commerciële of religieuze organisatie of om een overheidsinstantie, de uitdagingen zijn dezelfde. In het bedrijfsleven hebben we mogelijk - onbewust - aan deze ontwikkelingen bijgedragen doordat wij onvoldoende informatie hebben verstrekt nodig voor het voeren van een gedegen openbare discussie. Misschien waren we teveel gefixeerd op interne aangelegenheden en hebben we geen oog gehad voor de noodzaak om het publiek informatie te verschaffen. In tegenstelling tot de overheid, hoefden wij niet het publiek bij elke beslissing te betrekken. En zo kregen wij de neiging teveel op onszelf gericht te zijn en raakten we dus wat geïsoleerd en zagen sommigen ons als een staat binnen de staat. [...]

We zijn ons er altijd van bewust geweest dat de aard van de eisen die aan ons worden gesteld en de partijen die ze stellen, in de loop der tijd veranderen. Natuurlijk hebben we heel goed naar onze klanten geluisterd. We hebben goed geluisterd naar regeringen en naar onze eigen mensen. Tenslotte waren zij degenen met wie wij altijd spraken. Natuurlijk hebben we ook gesproken met milieugroepen, met consumentengroepen, enzovoorts, maar we lieten die contacten meestal onderhouden door onze Public Affairs afdeling. Die groepen waren belangrijk - maar niet zo belangrijk als regeringen, industriële organisaties en dergelijke. Eigenlijk is het wat langzaam tot ons doorgedrongen dat deze groepen gezag begonnen te krijgen, terwijl het gezag van de instellingen waarmee wij altijd spraken begon te tanen. Wij hebben de omvang van die veranderingen onderschat - we zijn met die nieuwe groepen niet snel genoeg een serieuze dialoog aangegaan. [...]

Daarnaast zijn er de verschillende en zeer tegengestelde ideeën over de juiste verhouding tussen bedrijven en overheden. Voor ons was dat duidelijk door de kritiek op onze activiteiten in sommige ontwikkelingslanden, met name in Nigeria. Er zijn vele redenen voor deze discussies; ze zijn te verdelen in externe en interne. De interne redenen - de moeilijkheden die wij hebben gehad om de nieuwe uitdagingen te identificeren en erop in te spelen - zijn niet gemakkelijk boven water te krijgen. Maar we zijn druk bezig om ze te vinden, ze te analyseren en proberen goede oplossingen te bedenken voor de problemen. Voor mij was een belangrijke oorzaak van onze problemen een soort technologische arrogantie, die in technische bedrijven veel voorkomt. De meesten van ons in Shell hebben een wetenschappelijke, technologische achtergrond. Zo'n vooropleiding, gecombineerd met onze ondernemingscultuur, leert ons dat we een probleem moeten identificeren, isoleren en vervolgens oplossen.

Dit soort benadering werkt goed bij een technisch probleem - maar is niet erg zinvol als we worden geconfronteerd met, bijvoorbeeld, een probleem betreffende mensenrechten. Voor de meeste technische problemen is er een - en vaak slechts één - goed antwoord. Voor de meeste sociale en politieke dilemma's is er een hele reeks mogelijke antwoorden - en dat zijn bijna allemaal compromissen. Vanuit onze sterk wetenschappelijke denktrant hebben we een aantal van de meer softe problemen fout beoordeeld en daardoor hebben we vergissingen begaan. [...]

Naast onze normale taken - het creëren van welvaart, het bevredigen van de behoeften van onze klanten en het produceren van dividend voor onze aandeelhouders - wordt ons nu gevraagd politieke crises in ontwikkelingslanden op te lossen, westerse normen en waarden naar die landen te exporteren en aandacht te schenken aan tal van andere problemen. Het is echter zonneklaar dat wij niet het mandaat hebben om die taken te vervullen. Ik weet ook niet of wij dat mandaat wel zouden moeten hebben. [...]

Door de omvang van onze activiteiten spelen we voor een aanzienlijk aantal ontwikkelingslanden inderdaad economisch een belangrijke rol, creëren we een belangrijk percentage van hun inkomsten en hebben daardoor zeggenschap over zaken die verband houden met de olie-industrie - net als in Nederland of in Groot-Brittannië. Maar we hebben geen sociaal gezag, we hebben geen politiek gezag en we kunnen onze meningen niet aan anderen opleggen. Dat is een van onze belangrijkste dilemma's - moeten we eigenlijk wel proberen een belangrijkere rol te spelen in het oplossen van maatschappelijke of politieke problemen?

En als we die rol op ons zouden nemen, hoe zouden we dan het gezag kunnen krijgen om die rol te vervullen? Zouden samenlevingen bereid zijn ons een vrijbrief te geven om dit soort taken te vervullen? Hoe zouden de grenzen van een dergelijke rol moeten worden bepaald? Aan wie zouden we verantwoording moeten afleggen? Aan degenen die het hardst roepen? Persoonlijk heb ik op dit punt ernstige twijfels. In vroeger eeuwen hebben multinationals - zoals de handelscompagnieën - dergelijke taken op zich genomen; ze hebben de grenzen van de handel overschreden om zich bezig te houden met politiek en regeren. Die periode wordt tegenwoordig terecht veroordeeld. We moeten niet agressief mercantilisme weer invoeren , dat zou een stap terug zijn. Wat kunnen we doen om het vertrouwen dat de afgelopen jaren is getaand, terug te krijgen? En hoe kunnen we er voor zorgen dat men een realistisch beeld van onze mogelijkheden krijgt?

Degenen die een beroep doen op ondernemingen om ethische normen in te voeren, hebben absoluut gelijk. En ik ben er trots op te kunnen melden dat wij in Shell al meer dan twintig jaar officiële ethische normen hebben en publiceren - onze Algemene Beleidsuitgangs punten. Op dit gebied vervulden wij een voorbeeldfunctie - en dat doen we nog steeds. Onze beginselen vormen voor al onze mensen een duidelijke leidraad en zijn de basis waarop onze reputatie van eerlijkheid en integriteit berust. Met het oog op de nieuwe dilemma's waarvoor wij staan, zijn wij momenteel bezig deze richtlijnen opnieuw te bezien, om ze mogelijk verder te verdiepen. Onze beginselen werden niet lichtvaardig aangenomen. Ze vormen een uitstekende basis voor onze activiteiten en we zullen ze ook niet zomaar veranderen.

We zijn ze nu aan het bestuderen om ze te toetsen, om te kijken of deze tijd echt andere eisen stelt. Dit is een buitengewoon moeilijk proces, want zodra we de meer eenvoudige beginselen afgehandeld hebben, komen we al snel bij een paar zeer gevoelige zaken. Het probleem van de zogeheten dubbele normen is een klassiek voorbeeld. Er zijn groepen die vragen om één stelsel van normen - of het nu gaat om lonen, milieu of andere zaken - dat wereldwijd wordt toegepast. Sommige mensen lijken te denken dat hun waarden universeel zijn en dat die ongeacht de kosten of de maatschappelijke gevolgen voor de betrokkenen kunnen worden toegepast. Vertegenwoordigers van vele ontwikkelingslanden betogen dat de toepassing van dat soort normen hen economisch feitelijk buiten spel zou zetten. Ze staan aan het begin van hun ontwikkeling en als ze normen zouden moeten aanvaarden die alleen rijke, ontwikkelde samenlevingen zich kunnen veroorloven, zouden zij hun concurrentiepositie nadelig beïnvloeden. [...]

Welke ethische aanpak kunnen we volgen? Moeten we de duurdere westerse normen hanteren, waardoor de lokale activiteit niet meer concurrerend kan zijn en lokale arbeidskrachten hun baan en de kans op ontwikkeling ontnomen worden? Of moeten we de ter plaatse geldende wettelijke normen aanhouden - met duidelijke plannen om ze binnen een redelijke tijd te verbeteren tot het niveau van 'best practice' -en het risico nemen dat het Westen ons veroordeelt?

[...]

Mensen die de hele wereld één norm zouden willen opleggen - de morele imperialisten - hebben het duidelijk bij het verkeerde eind. Maar dat geldt ook voor de morele relativisten, die stellen dat je alleen lokale normen moet hanteren. Want zoals we allemaal inmiddels weten, hoeft datgene wat in het ene land aanvaardbaar is, niet automatisch aanvaardbaar te zijn op internationaal niveau.

[...]Wij moeten open blijven staan voor de behoeften en zorgen van al de belanghebbenden waarmee of waarvoor we werken, van al onze 'stakeholders'. Ik ben het er dan ook helemaal mee eens, dat wij bereid moeten zijn om in breder debat te treden - ook over mensenrechten. Ik kan evenwel niet geloven dat wij onszelf zouden moeten zien als zedenmeesters die bepalen welk gedrag toelaatbaar is voor soevereine staten. Dat is een zaak voor regeringen en internationale lichamen die daartoe de autoriteit bezitten. Ook zij zullen moeten leren te leven in onze nieuwe steeds doorzichtiger en steeds uitdagender wereld.