Minder, maar schrijnender armoede

Armoede is een relatief begrip. Arm in Nederland is iets anders dan arm in Mali. Absolute armoe, in de zin van dood gaan van de honger, komt in Nederland niet voor. De Europese Unie hanteert een armoedegrens die ligt op de helft van de gemiddelde levensstandaard in een land. Die zegt dus vooral iets over de inkomensverdeling. Volgens deze definitie verkeert 6 procent van alle Nederlandse huishoudens onder de armoedegrens.

Dit is het laagste percentage van de hele unie, aldus de dit jaar verschenen Sociale en Culturele Verkenningen van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Zweden zit net iets hoger; Frankrijk, Engeland en Duitsland zitten op 10 tot 12 procent. De Verenigde Staten scoort op dezelfde maatstaf 22 procent arme huishoudens.

Behalve welk percentage huishoudens onder de armoedegrens zitten (de relatieve omvang van de armoede) is ook het bedrag dat deze huishoudens onder die grens zitten van belang. Dit wordt wel de intensiteit van de armoede genoemd. In Zweden zijn weliswaar ook weinig armen, maar daar komen ze meer tekort. In Australië zijn veel meer armen, maar zij komen gemiddeld slechts iets meer tekort dan in Nederland. Nederland scoort zowel op omvang als op intensiteit van armoede het gunstigst van alle onderzochte landen.

In het begin van de jaren tachtig is het percentage arme huishoudens in Nederland verdubbeld, van 4 tot 8. Sindsdien is sprake van een zeer langzame daling. Wel is de intensiteit van de armoede de laatste jaren gegroeid. Kwam een arm huishouden in 1979 gemiddeld nog 2.200 gulden per jaar tekort, vorig jaar was dat 3.500 gulden.

Voor de meeste huishoudens is een armoede een tijdelijke aangelegenheid. In Nederland hebben ongeveer 400.000 huishoudens al ten minste vier jaar achtereen een inkomen op of onder het minimumniveau. Dit is de categorie waar het armoedebeleid van het kabinet zich op richt. Van deze langdurig armen is de helft gepensioneerd. Het gaat met name om alleenstaande vrouwen van 65 jaar en ouder. Een derde van alle alleenstaande vrouwen boven de 65 behoort tot de categorie met een langdurig laag inkomen. Voor hen zit structurele inkomensverbetering op eigen kracht er niet meer in.

Gunstiger zijn de perspectieven voor twee andere grote categorieën langdurig armen: bijstandsmoeders en langdurig werklozen. De helft van alle eenoudergezinnen (doorgaans vrouwen met een of meer kinderen) behoort tot de categorie met een duurzaam laag inkomen. Het gaat om 40.000 huishoudens. Over studenten en andere jongeren met een laag inkomen maakt men zich doorgaans geen zorgen.

In tegenstelling tot bijvoorbeeld de Verenigde Staten kent Nederland nauwelijks working poor. Weliswaar moeten zo'n 80.000 (echt)paren met kinderen mét werk het met een minimuminkomen doen, maar deze situatie is doorgaans tijdelijk. Nog geen 20.000 paren met kinderen en inkomen uit arbeid zijn duurzaam aangewezen op een minimuminkomen.