Maddalena

Ze is mooi, Maddalena. Gitzwart haar, kastanjebruine ogen.

Als ze me ziet, Maddalena, dan zoent ze me. Dan voel ik haar baard. Vooral als ze zich slecht geschoren heeft.

Ze is klein, Maddalena. Pikzwart truitje, gouden kettinkje. Met kruisje. Ze is altijd blij als ze ons ziet. En vaak moet ze huilen. Want zoveel mensen ziet ze niet.

Ze woont in zo'n klein, pittoresk, typisch Toscaans dorpje. Als we aanbellen, opent ze de deur vanaf beneden. Daar staat ze dan te wachten, met haar schortje voor. Onderaan een verbluffend lange trap, een blinkend schone trap. Daar verontschuldigt ze zich altijd voor, “dat ze 'm vandaag nog niet gedaan heeft”. Dan komen de zoenen, de tranen. En de koffie.

Ze gaat ons voor door een verbluffend lange gang, een blinkend schone gang. Ze loopt mank. Haar ene been staat vrijwel haaks op het andere.

Hoe oud zou ze zijn, Maddalena? Eind zestig? Ik weet het niet. Wel, dat Italianen, mannen én vrouwen, in onze ogen vaak ouder lijken dan ze zijn.

Maddalena leidt ons in haar keukentje, in de ruimte waar ze het grootste deel van haar dagen slijt. Slijt. Haar keuken is een ruimte die - anders dan de trap en de gang - meer in overeenstemming lijkt met de maat van het dorpje. Haar keuken: formica, tl, tv, en een tafelkleed met zelfgehaakte randjes.

Maddalena vult haar caffettiera met een bult koffie - voldoende voor drie doorwaakte nachten - en kijkt ons stralend aan. Ze wil iets van ons horen, de novità, de nieuwtjes. Maar we vragen eerst de hare. Maddalena zucht. En knikt, in de richting van de hoek. Daar, in een rolstoel, zit een grijs, gerimpeld vogeltje. In een grijze kamerjas. Het is oma, la nonna, de moeder van Maddalena's man. Een omaatje van in de negentig.

Van Maddalena weten we dat het alweer zo'n tien jaar geleden is dat het met haar mans moeder opeens minder ging. Dat ze gekke dingen begon te zeggen en aan het zwerven sloeg. En, gaandeweg, werd het erger. Ze werd bedlegerig, maar voor een tehuis was geen geld. En bovendien, zoiets deed je niet, je schoonmoeder in een tehuis stoppen. Dat was iets voor ontaarde schoondochters. En de zoon, Maddalena's man? Die ging van zijn welverdiende pensioen genieten. Genieten. Thuis is hij nooit, alleen om te eten. Verder jaagt hij wat, kaart hij wat, met de andere mannen in het dorp. Of hij kart wat in het rond.

Met de nonna werd het steeds erger. Schreeuwen en rollen, midden in de nacht. Ze moest in de riemen, zowel in bed als in de rolstoel. Doorliggen, stinkende wonden, jarenlang, totdat het ziekenfonds een speciaal matras uitleende. En nu? Nu is nonna rustiger. Ze pruttelt wat, samen met de caffettiera.

Maddalena verzorgt de openbarstende gezwellen op het oude gezicht. Ze weet het, nonna heeft een hart van staal. Ze hebben het laatst nog onderzocht. Dat hart houdt het misschien nog langer vol dan haar eigen haakse been. Iedere dag dat nonna's hart het nog doet, doet haar eigen been het minder. En ze weet dat haar eigen schoondochter - van de nieuwe generatie - nooit voor haar zal doen wat zijzelf voor haar schoonmoeder doet. Maddalena's zoon en haar schoondochter wonen zo'n zestig meter verderop, maar ze komen weinig. En dan nog vooral om te eten. Want ze weten dat Maddalena, als echte mamma, even echte pasta maakt.

Ze schenkt de koffie in, het vrouwtje met het gitzwarte haar. Geverfd, of niet. Ze opent haar zondagse koekjestrommel en haalt ze eruit. Zelf komt ze er nooit uit. Bijna nooit. Soms, heel soms zie je haar buiten. Dan hobbelt ze met een bosje bloemen naar het kerkhof. En dan gauw weer terug. Ze durft la nonna niet alleen te laten. “Stel je voor dat ze iets krijgt...”

Ze is mooi, Maddalena.