Jazzmarathon beschimpt publiek

Jazzmarathon 1996. Met: Diamanda Galas, Tiny Bell Trio, Dave Douglas Sextet, Peter van Bergen, Bennink/Douglas, Greg Osby Kwartet. Gehoord: 11, 12/10, Oosterpoort Groningen.

De Groningse Jazzmarathon begint een traditie op te bouwen op het gebied van Publikumsbeschimpfung. Gold op de vorige editie het groots opgezette maar van balorigheid aan elkaar hangende concert van gitarist Vernon Reid als een plaagstoot naar de bezoeker, deze keer was rietblazer en componist Peter van Bergen aan de beurt.

Reid voerde zaterdag zijn compositie-opdracht The Public uit, een stuk voor twee blazers, een celliste, een percussionist, twee bespelers van live-electronica, een acteur en een telefoon. Het dreigde dus, gezien de opstelling, een interactief multi-media event te worden. In plaats van de bezoekers te boeien, bleek het inderdaad de bedoeling hen uit te dagen en hoofdpijn te bezorgen met onvoorspelbare klanken, onzinnige tekstflarden en onaffe danspasjes. Halverwege kwam acteur Dennis Fudge met precies één leuke vondst: hij zette een walkman op en begon mee te playbacken, iets wat gegrinnik opwekte.

Terugblikkend zou je bijna uit het oog verliezen dat de Jazzmarathon daarnaast ook nog jazz in petto had. Minder initiërend van karakter misschien, om met de woorden van programmeur Kees van Boven te spreken, maar des te meer de moeite waard. Wie gelooft dat in de traditie gewortelde jazz slechts meer van hetzelfde is, heeft de laatste jaren niet opgelet. Een interessante ontwikkeling is bijvoorbeeld de terugkeer naar akoestisch spel en vormen van (her)compositie. Daarnaast zijn er individuen, die op idiosyncratische wijze standards of liedjes vertolken, zoals de Grieks-Amerikaanse Diamanda Galas, die vrijdag de Jazzmarathon opende.

Een muzikant die met conventionele middelen, dus zonder computers of toeters en bellen, semi-gecomponeerde muziek maakt is de New-Yorkse trompettist Dave Douglas. De Jazzmarathon had hem terecht een centrale rol toebedeeld in het programma. Vrijdagavond trad hij op met het gitaar-drums trio Tiny Bell, zaterdag met zijn eigen akoestische sextet - een Nederlandse primeur - en in een duo met drummer Han Bennink, die schertsend sprak van een Dave Douglas-marathon.

Douglas maakt onder meer deel uit van John Zorns Masada-project, dat vorig jaar de Marathon verraste, waarin de joodse wortels van de jazz worden onderzocht, en in enkele andere verbanden voortspruitend uit de stal van de Knitting Factory uit New York. Een groot verschil tussen New-Yorkse en Europese improvisatoren lijkt te zijn dat de Amerikanen veel minder gebukt gaan onder het gewicht van de Westerse muziekgeschiedenis. Daardoor is hun muziek lichter en toegankelijker, maar daarom niet minder aangrijpend.

Een van Douglas' vertrekpunten is de te jong gestorven Booker Little. Net zoals hij in de jaren vijftig deed, paart Douglas helderheid aan dubbelzinnigheid. Het sterkste stuk was een midtempo ballad in een wiegende maatsoort, waarin hij erin slaagde alle cliché's op trompet te omzeilen. Geen vet gespetter à la Armstrong of ijl gepiep à la Miles Davis. Zijn frasering leek op die van een violist in plaats van een blazer. Letterlijk op het puntje van zijn tenen - Douglas liep op kousevoeten - blies hij zijn lijnen de zaal in. Als het swingde, dan swingde het zoals een kat swingt.

Douglas' confrontatie met Han Bennink was hilarisch. Bennink stamt uit de school waarin spelen gelijk staat aan zweten. Na een lange solo, alleen op snare-drum of met kwastjes op de vloer, pleegt Bennink ter aarde te storten. Douglas' al te fijnzinnige spel deed de drummer dan ook op een gegeven moment hardop verzuchten waar hij blééf. De New-Yorker kwam ten slotte wel, maar juist omdat hij Bennink niet probeerde te verslaan op kracht - dat was hem toch nooit gelukt - maar op scherpte, ontstond er een korte maar verrukkelijke mini-jamsessie, waarin echo's vervloeiden uit New Orleans en Amsterdam.