Haarlems gedruis verleent betekenis aan de microtonen

Microtonaal Festival. Concerten door Stadler Quartett en Joop van Goozen, 31-toonsorgel. Gehoord 10/10 De IJsbreker Amsterdam; 13/10 Teylers Museum Haarlem.

Ongelukjes in het publiek gebeuren er op elk concert, meestal onbeduidende gebeurtenissen, wie let er nog op? Maar zondagochtend in het Haarlemse Teylers Museum tijdens de slotmanifestatie van het Microtonaal Festival, kregen zij wel degelijk een geladen betekenis mee. Iemand liet een stemvork vallen - symbolisch voor een festival onder de titel 'Zuiver Muzikaal' - en tijdens de première van Leo de Vries' etude-achtige suite For 31-tone Organ klonk een politiesirene - over microtonen gesproken!

Bovendien tinkelde een carillon tijdens Peter Schats Collages vol contrasten, canons en clusters, een compositie die doet denken aan een afrekening met zijn protestantse verleden: koraalachtige elementen worden door clusters vermorzeld, na slechts enkele akkoorden trilt meteen het hele pijpwerk.

Er zijn diverse van die clusters, uitgevoerd met de handpalm, vegend, dan wel rollend met beide armen. Professor Adriaan Fokker kan onmogelijk gecharmeerd zijn geweest van die agressieve aanpak van zijn wat wel omschreven werd als merveilleux instrument met zijn 648 boven elkaar gestapelde toetsen. Na 1962 is Schats clustercollage vrijwel nooit meer uitgevoerd, de componist hoorde het nu in ieder geval voor het eerst.

Wat vooral opvalt op zo'n festival is, dat geavanceerdheid in wis- en natuurkundige zin niet automatisch hoeft te betekenen dat er ook sprake is van vooruitstrevendheid in muzikale zin. Partch met zijn 43-toons orgel klinkt als Schubert-blues, Haba's kwarttoonmuziek als bizarre Brahms en Franz Richter-Herf (1920-1989), de centrale figuur op het concert door het Oostenrijkse Stadler Quartett, heeft nog het meeste weg van een vroege Schönberg (Verklärte Nacht met kleine zwevinkjes).

Nadat Richter-Herf in 1970 tot de conclusie was gekomen dat het traditionele systeem was uitgeput, dook hij in de nauwelijks ontgonnen microtonale wereld en verraste met een 72-toonssysteem waarin de halve toon in zessen wordt verdeeld. In 1972 stichtte hij een onderzoekscentrum aan het Mozarteum te Salzburg, waar weer twee jaar later een zogenaamd 'Ekmelisch' orgel kon worden gebouwd.

Iets vooruitstrevender in de toepassing van ekmelische muziek toonde zich Kurt Anton Hueber, gehoord zijn onderhoudende cyclus Dankos Herz. Hierin wordt verhaald over een Aziatisch volk dat op de vlucht verdwaald raakt in een ondoordringbaar woud. Er breekt een opstand uit. De leider rukt woest zijn hart uit het lijf dat begint te gloeien en opeens een uitweg zichtbaar maakt.

De opwinding van het volk wist Hueber te typeren in opschuivende harmonieën in 1/6de, 1/3de en 1/4de tonen, zowel technisch gaaf als meeslepend vertolkt door het jonge Oostenrijkse kwartet, interpretatief zonder meer het hoogtepunt. Minstens zo opmerkelijk vond ik vervolgens dat alles weer tot rust komt zonder microtonen ditmaal, dus niet ekmelisch wel te verstaan. Zó worden de microtoonexperimenten doorgaans behandeld, gelegitimeerd door bijzondere gebeurtenissen, zó ook wordt deze muziek nimmer volwassen.