Geen broodje paling en nooit naar een musical

HILVERSUM, 14 OKT. Halverwege het gesprek legt ze haar verzamelde rekening-afschriften van de bank op tafel. Ze bladert door het boekje en wijst op het saldo. “Rood, rood, rood”, zucht ze. “Ik sta altijd rood.” Sinds ze drie jaar geleden met werken stopte, moet mevrouw E.F. Vroegop (67) rondkomen van een AOW-uitkering à 1307,57 gulden per maand. Volgens haar zeggen behoort ze “tot de vele stille armen in Nederland”.

De inrichting van de woonkamer in haar Hilversumse hoekhuis wijst niet op geldgebrek. “Maar dat is schijn”, haast Vroegop zich te melden. “Zes jaar geleden had ik een brand in de salon. Van de verzekering kreeg ik nieuwe meubels, vloerbedekking, gordijnen en behang. En daar ben ik heel zuinig op geweest.”

Aan haar kleding is evenmin te zien dat ze het financieel moeilijk heeft: hagelwitte blouse, zwarte broek, bijpassend vestje, halfhoge laarsjes. “Hier op de hoek is een winkel waar mensen kleding brengen die ze zelf niet meer dragen”, legt ze uit. “Die wordt dan voor een prikje verkocht. Ik loop daar wel eens binnen, zoals ik ook de markten afstroop. Het is best leuk naar goede tweede-hands spullen te zoeken. Maar toch. Ik weet dat het echt mòet en dan voel ik mij toch weer belazerd.”

Vroegop is van oordeel dat “Tweede-Kamerleden, andere Haagse politici en beslissers geen idee hebben van het lot van de armsten”. Ze zegt: “Zij wonen in hun dure, afbetaalde huizen en beseffen niet hoe zwaar al die moedige oude mensen het hebben, die alleen van de AOW moeten leven. Een heleboel zaken die ze na hun vijfenzestigste hadden verwacht te doen, blijken niet te kunnen. Die mooie AOW van de oude Drees en Suurhoff is tegenwoordig lang niet meer wat hij had moeten zijn.”

Van haar AOW-uitkering gaat maandelijks veel op aan vaste lasten: 502 gulden (huur na aftrek huursubsidie), 47,50 gulden (ziekenfonds), 214 gulden (energie), 45 gulden (brand- en inboedelverzekering) en 50 gulden (telefoon). “Daar komen de WA-verzekering, mijn zestig-plus treinkaart en het water nog bij.”

Ze slikt. “Die telkens terugkerende betalingen breken je op. Je komt er niet onderuit. De verwarming bijvoorbeeld. Als je vroeger geen geld had, hield je je jas binnen aan. Dat kan niet meer, je moet voor stookkosten betalen anders word je het huis uitgezet.” Ze heeft wel eens overwogen haar royale woning te verruilen voor een flatje. “Maar dat is bijna even duur, tenzij je in een aso-buurt gaat zitten. Nu kan ik mijn kleinkinderen ten minste nog eens laten logeren.”

Sinds kort heeft ze - onverwachts - een pensioentje (39,34 gulden) van het bejaardenhuis, waar ze na haar scheiding in 1977 zeventien jaar part-time werkte. “Dat extra geld is lekker meegenomen, maar intussen houdt de AOW-uitkering de stijging van de hoge huren niet bij en wordt de huursubsidie steeds verlaagd. Je redt het niet. En ik ben heus wel wat gewend - in de oorlog moesten we elk dubbeltje omdraaien. Ik ben ook reuze handig: ga nooit naar de kapper, lap mijn eigen schoenen en naai veel kleren zelf van een lapje van de markt. Soms heb ik een meevaller, krijg ik van de gemeente de belasting voor de zuiveringsrechten terug: 560 piek. Ik sprong een gat in de lucht.”

Vroegop zegt genoeg te eten te hebben. “Je gaat als AOW'er niet dood van de honger. Want het gewone voedsel is echt niet zo duur. Ik loop alle koopjes af. Mijn brood haal ik bij een supermarkt; het goedkoopste en toch smaakvol. Echt lekkere dingen kan ik me niet permitteren. Ik zou best een broodje paling lusten, maar dan denk ik: dat kost acht gulden. Van dat bedrag kan ik de hele dag eten.”

Wie alleen van de AOW moet leven, verliest in de ogen van Vroegop gemakkelijk zijn sociale contacten. “Samen met iemand een bioscoopje pikken, naar een musical. Die kleine geneugten kun je vergeten, ze zijn onbetaalbaar. Je kan nooit eens op reis, je kan nooit met je kleinkinderen naar een of ander pretpark, zodat je als grootmoeder tekort schiet en je zelfs schuldig voelt.”

Na haar vijfenzestigste jaar had ze best in het bejaardenhuis willen blijven werken om wat meer financiële armslag te hebben. “Dan had ik nu op gym of ballet gekund.” Nooit heeft ze een beroep gedaan op haar familie. “Ik wilde dat niet. Als ik jarig ben, vraag ik alleen maar geld. Voor een potje crême of make-up, want ik ben best ijdel. En die dingen kan ik zelf niet betalen.”

Vroegop heeft opgekeken van de recente uitspraken van bisschop Muskens van Breda, dat de allerarmsten desnoods uit stelen moeten gaan. “Dat kan niet. Waar blijft dan het recht om dieven te bestraffen? Muskens verlaagt de drempel. Dat leidt tot misbruik. Zelfs in de oorlog haalde je het niet in je hoofd om te gaan jatten.”

Eén moment oogt de steeds opgewekte Vroegop droevig. Als het over haar toekomst gaat. “Ik zit in het armoede-circuit, daar kom ik nooit meer uit. Een keer ben ik de bank binnen gelopen om vijftig piek te lenen voor boodschappen. Ik kon niet meer pinnen, want ik stond zwaar rood. Rood, rood, rood. Mijn moeder is nu 92 jaar. Van de ene kant zou ik ook zo oud willen worden, van de andere kant zou ik het niet zo erg vinden als ik morgen niet meer wakker word. Want ik vind er weinig lol meer aan.”