De liefde voor Bruintje Beer

Dietsche Warande en Belfort. Uitg. Peeters en Uitg. De Bezige Bij. 125 blz. Prijs ƒ 16,50. Bzzlletin. Uitg. Bzztoh, 88 blz. Prijs ƒ 12,50.

Werd honderd jaar geleden de eerste strip gepubliceerd? Over de gebroeders Lumière en hun eerste filmvertoning in 1895 bestond vorig jaar nog redelijk wat consensus; over de vraag wat de eerste strip was en wanneer die werd gepubliceerd is minder duidelijkheid. Sommigen zeggen dat het begon met Le docteur festus van Richard Töppfer in 1829, meestal wordt echter The Yellow Kid als eerste beschouwd. Dit kale, flaporige kereltje, getekend door Richard Felton Outcault, zou door de drukkers van de New York Journal zijn gebruikt om te experimenteren met de kleur geel, waardoor het eerste ingekleurde stripverhaal zou zijn ontstaan. Over die feiten bestaat alleen nogal wat twijfel: sommige kenners zeggen dat het niet de New York Journal maar de Sunday World was, en dat The Yellow Kid niet in 1896 maar in 1895 debuteerde.

Het Belgisch/Nederlandse literaire tijdschrift Dietsche Warande & Belfort gaat uit van 18 oktober 1896 als geboortedatum van The Yellow Kid en heeft ter gelegenheid daarvan een heel themanummer aan het stripverhaal gewijd. Gezien dit momentum zal het wel niet toevallig zijn dat Bzzlletin precies hetzelfde heeft gedaan, maar dit tijdschrift noemt verder geen data - het stelt slechts dat het stripverhaal zich daadwerkelijk heeft ontpopt als negende kunst. Ook in andere opzichten verschillen de twee bladen nogal van elkaar. Bzzlletin, dat dit nummer voor het eerst met een grotendeels vernieuwde redactie maakte (waarin onder andere schrijver Arie Storm) is luchtiger dan DWB. Er is meer plaats voor persoonlijke beschouwingen, zoals die van poëzierecensent Rob Schouten en van schrijvers Louis Ferron, Atte Jongstra en Hiske Dibbets, die hun jeugdervaringen met strips beschrijven. Zo beschrijft Ferron zijn liefde voor juffrouw Doddeltje, Jongstra die voor Bruintje Beer.

Gelukkig wijdt Hiske Dibbets haar column aan Asterix en Cleopatra, anders zouden populaire strips als Asterix, Donald Duck, Suske en Wiske of Guust Flater er in beide nummers bekaaid zijn afgekomen, om maar niet te spreken van het werk van Kamagurka of Hein de Kort (Pardon lul) dat helemaal nergens wordt genoemd. Zowel DWB als Bzzlletin zijn duidelijk op zoek geweest naar strips met een serieuze, literaire achtergrond en zijn vervolgens allebei uitgekomen bij de verhalen die in min of meer realistische stijl zijn getekend. Zo heeft Bzzlletin onder meer artikelen over het werk van Jacques Tardi en Hans G. Kresse (Eric de Noorman). In DWB wordt zelfs een kort, schetsmatig verhaal van Denis Deprez afgedrukt, naast artikelen over de Belgische stripcultuur en de stripinvloeden in het werk van de Nederlandse architect Willem Jan Neutelings.

Het verschil tussen de beide nummers komt het duidelijkst naar voren in het artikel dat ze allebei hebben over de Amerikaanse superhelden als Superman en Batman. In DWB schrijft Dirk van Bastelaere over de moraal van de vigilanten-cultuur, waartoe hij deze superhelden rekent. Hij komt tot opmerkelijke conclusies over de morele maatstaven van de superhelden: “Enkel een moreel superieur wezen zoals de Batman, die op de een of andere manier (-) in direct contact staat met de Ware Wet, met het transcendente idee van het Goede, kan hier redding brengen.”

In Bzzlletin schrijft Anton Damen juist over de achterkant van de superhelden-cultuur, die van de zogenaamde Watchmen, een superheldenstrip waarin ervan wordt uitgegaan dat superhelden werkelijk invloed op de twintigste-eeuwse geschiedenis hebben gehad. Het resultaat daarvan is dat Amerika in 1985 een glorieuze overwinning in Vietnam heeft behaald, dat Richard Nixon aan zijn vijfde ambtstermijn is begonnen en dat in Amerika geen superhelden-strips meer gelezen worden. De superhelden zijn er in verschillende opzichten niet erg florissant vanaf gekomen: de meeste zijn in dienst getreden van de overheid of in psychologische problemen geraakt. Het stuk van Damen is leuk, vooral voor wie nog nooit van deze Watchmen had gehoord, al doet hij wel erg zijn best om aan te tonen hoe geniaal scenarist Alan Moore en tekenaar Dave Gibbons van de Watchmen-strip wel niet zijn.

Dan misschien toch liever de ongecompliceerde verhalen over mijnheer Donselaer van Charlotte Mutsaers, waarover J. Heymans in Bzzlletin schrijft. Mutsaers schreef en tekende deze strip in de jaren '80 en liet daarbij zien dat literatuur en strip wel degelijk geslaagd kunnen samengaan. Neem bijvoorbeeld de openingsregels van een van de verhalen: 'Vier brauwen heeft heer Donselaer / en op zijn borst groeit varkenshaar'. Dat zie ik die verzamelde superhelden nog niet voor elkaar krijgen.