Wim Keyl: wegpiraat, bondscoach, veehouder; Karateman tussen de koeien

's Avonds geeft hij karateles, oefent hij voorwaartse trappen en uitvalsstoten. 's Morgens: melkenstijd. Tussendoor rijdt Wim Keyl nog wel eens een auto total loss. Koos van Zomeren portretteert een man die onwaarschijnlijke zaken combineert. 'Stel dat je van de ene dag op de andere een complete veestapel op je nek geschoven krijgt. Daar zou je toch een knaap van een jonge-moederneurose van oplopen.'

Zijn zilvergrijze Lincoln Mark VII bouwjaar 1987 is de opvolger van een hemelsblauwe Chevrolet Malibu bouwjaar 1978, die op zijn beurt de opvolger was van een donkere Oldsmobile Delta 88 bouwjaar 1976... hij schat dat het zijn veertigste auto is, dat hij er een stuk of vijftien total loss heeft gereden, dat dat hooguit drie keer zíjn schuld is geweest.

Belastingtechnisch staat zo'n wagen genoteerd voor 1655 kilogram. Automatische versnelling, acht cilinders, vijf liter. Rijdt als een zonnetje, van alle gemakken voorzien. Goed voor zijn rug.

Lederen bekleding.

Zijwaartse lichtstraal uit de koplamp als je in het donker links- of rechtsaf wilt.

En een apart display dat niet alleen de buitentemperatuur maar ook de rijrichting aangeeft: S voor zuid, SW voor zuidwest en zo verder.

In de namiddag zoeft Wim Keyl over de Zuiderzeestraatweg naar Nunspeet, sportzaal Van Meer. Zodra hij iemand achteroprijdt trekt de neus van die Lincoln naar links. Hij ontkent dat het agressie is. Hij ontkent dat hij haast heeft. Hij beschouwt het als een volkomen natuurlijke neiging tot inhalen. Zoals een hond zijn neus in een konijnenhol steekt, zo besnuffelt de Lincoln de ruimte tussen tegenliggers.

Negentientachtig, dat ongeluk dat zijn heup heeft vernield - doordat hij te langzaam reed! Auto van een vriend, rustig aan. Achter het stuur in slaap gevallen, in het ziekenhuis weer wakker geworden.

Eerst een uurtje jeugd, dan een uur senioren-beginners en tot besluit een uur senioren-gevorderden, blauwe en bruine banden. Hijzelf heeft de zwarte band, derde dan.

Elk uur doet hij zijn eigen oefeningen in afweer en aanval, voorwaartse trappen en zijwaartse trappen, uitvalsstoten en tegengestelde stoten.

Steeds het vegende geluid van blote voeten op de mat.

De zaal wordt verdubbeld door een spiegelwand en doet me aan mijn tandarts denken. Eerst vermoed ik dat het alleen door het hygiënische kunstlicht komt. Maar het blijkt toch vooral de fitness-apparatuur te zijn, die in ruststand aan de kant staat. Net een werkplaats voor de ontwikkeling van tandartsstoelen.

“Sommige mensen gaan te snel hè! Dus wat krijg je dan? Dat je techniek niet goed is! Dat je blessures krijgt!”

Dat is Wim Keyl, als een vis in het water. Tussendoor bedient hij zich voortdurend van een taal die wel Japans zal zijn - zangerig in de omschrijving van opdrachten, blafferig in de uitvoeringscommando's. Haj!

“En probeer in deze beweging je héle lichaam te betrekken!”

Opgewekt maar gedecideerd. Hij corrigeert de stand van een been en legt nog eens uit waarom de achterste vuist met de vingers naar boven in de zij wordt gehouden. En naarmate de tijd vordert, de vermoeidheid toeneemt, wordt zijn gang kreupeler. Dus dat is het óók: een permanente confrontatie met het mankement aan zijn heup.

Negentientachtig, dat ongeluk, het abrupte einde van zijn wedstrijdperiode. Gecompliceerde beenbreuk. Dat been genezen, maar het heupgewricht uiteindelijk verwoest door een minieme standsverandering.

Einde van de les. Kom jongens, we gaan een partijtje doen!

Merkwaardig: ik kan niet eens zeggen dat dit sfeertje me vreemd is. Herinneringen steken onherroepelijk de kop op. Ik wéét dat een stoot met de rechtervuist effectiever is als je tegelijkertijd de linkerschouder naar achteren gooit. Ik kén dat soort mechanica.

Wij (Nijmegen, 1970) deden karate op zondagochtend, het laatste moment van de week dat nog vrij was. Voor ons stonden deze lessen in het licht van de strijd voor een betere wereld. Om ons te wapenen tegen het contrarevolutionaire geweld, dat stellig eens boven onze hoofden zou losbarsten. Om die bleekneuzige studentjes, die zichzelf tot voorhoede van de arbeidersklasse hadden uitgeroepen, een waarlijk proletarische hardheid bij te brengen.

Ik vond het nogal erg. Graag had ik een extra rondje met De rode tribune gecolporteerd of een extra cursusje marxisme-leninisme gedraaid om van dat karategedoe verlost te worden.

Beklemmend: dat het socialisme zo fysiek kon zijn.

Zoon van een aannemer in Oldebroek, geboren in 1958. Al jong gefixeerd op sport. Tennis. Had best wat kunnen worden. Als het niet zo'n kakwereldje was geweest. Karate. Het betere beenwerk. Het produceren van perfecte trappen, het lopen van mooie kata's, 'oefeningen in meervoudige windrichtingen'. Lid van het nationale team. Wedstrijden in half Europa. Nogmaals: het ongeluk.

Je hebt dus de Karatebond Nederland, die naar zijn idee op het ogenblik heel goed bezig is, en binnen die bond heeft elke stijl zijn eigen organisatie. Híj bijvoorbeeld is bondscoach wado-kei, waarbij je het gevecht ontwijkt om de aanval over te nemen. En hij is ook betrokken bij de organisatie van de open Europese kampioenschappen koshiki-karate, een veel hardere gevechtsvorm, waarbij echter op lijf en hoofd speciale bescherming wordt gedragen. Op 23 en 24 november in de sporthal aan de De Boelelaan in Amsterdam.

Bij dat soort activiteiten heb je je heup niet zo hard nodig. En als instructeur heeft hij het al met al ook nog aardig volgehouden. Karate, kickboksen, fitness, aerobics, dames- en herenconditietraining.

Hem gaat het om de gezelligheid, het spelletje. Vroeger was het karate dat zo'n ruige naam had, nu is het kickboksen en straks is het weer wat anders. En dan gebeurt het wel eens dat je aan je mouw wordt getrokken door iemand die ergens nog een schuld van twintig, dertig ruggen heeft uitstaan. Of jij die niet effe voor 'm kunt innen. Maar dat kun je ook weigeren en dan krijg je daar helemaal géén last mee.

Diny kwam bij Wim op fitness. Diny Dokter. Sterke meid. Laatst werd er een partij grasbrokjes afgeleverd, zakken van veertig kilo. Dan wordt er een rijtje gevormd om die zakken door te geven. Diny gaat ertussen staan en je ziet die mannen denken: die juffrouw zal zo wel bezwijken. Maar nee, daar heeft die juffrouw totaal geen moeite mee.

Toentertijd dreef Diny samen met haar vader de boerderij Zwaluwenburg op het gelijknamige landgoed boven 't Harde.

Boerderij van 1794.

Veertien bunder land.

Aart Dokter heeft de overgang nog meegemaakt van gemengd bedrijf naar melkveehouderij.

Dus Diny kwam bij Wim op fitness en als ze contact maakten vonkte er wat. Eerlijk, ze hoefden elkaar maar met een vinger aan te raken of er schoten duizenden volts door de zaal.

Nu was het eerste wat Diny zich afvroeg niet hoe hij eruit zou zien met klompen aan. Maar het kwam niet slecht uit dat hij begon langs te komen om te helpen. Langzaam opende zich de mogelijkheid om de boerderij in de familie te houden. En ook hemzelf kwam deze geleidelijkheid wel gelegen. Stel dat je van de ene dag op de andere een complete veestapel op je nek geschoven krijgt. Daar zou je toch een knaap van een jonge-moederneurose van oplopen. Al dat leven waar je de verantwoordelijkheid voor draagt terwijl je er geen klap verstand van hebt.

In '91 getrouwd en sindsdien staat Wim Keyl met zijn andere been in de wereld van de koe.

In die tijd hebben we zestig-, zeventigduizend gulden uitgegeven om het bedrijf op te knappen. Weiland omgeploegd en weer ingezaaid. Afrasteringen en hekken vernieuwd. De bongerd bijgewerkt en de stal voor jongvee verbeterd. Dit jaar hadden ze ook nog wel wat willen doen, maar de portemonnee is leeg.

Goeie jaren gehad; in 1994 zelfs een héél goed jaar. Maar '95 was opeens een stuk minder. De melkprijs omlaag van 75 naar 65 cent de liter, dat scheelt op jaarbasis al zevenduizend gulden. En de vleesprijs... dramatisch! Dat voel je niet alleen bij vee dat speciaal op vlees gefokt wordt, maar ook in de melksector. Een overtollig pasgeboren kalf doet ƒ 150 minder dan verleden jaar, dat scheelt bijna de helft. Als je een volwassen koe kwijt wilt.... een beest met een slechte uier of een hoog celgetal...dan beur je misschien ƒ 1100, honderden guldens minder dan voorheen.

Ondertussen gaan de pachtprijzen stelselmatig omhoog. Begonnen met ƒ 400 per ha, betalen ze nu ƒ 465, met het vooruitzicht dat dat op termijn zal oplopen tot pakweg ƒ 800. Dat zit 'm in de herziene pachtwet, maar het wordt geïnd door de Stichting Het Geldersch Landschap - wat verder overigens helemaal zo'n kwaaie pachtheer niet is. Ja, ze willen dat de boerderij er traditioneel blijft uitzien (geen bovengrondse mestopslag, geen uitpandige voedersilo's), maar dat willen Wim en Diny Keyl zelf ook. Wat dat betreft mogen ze niet zeggen dat hun iets in de weg wordt gelegd.

Wim: “We wonen hier prachtig.”

Diny: “En ik kan me niet voorstellen dat we géén koeien zouden hebben.”

Wim: “Maar je moet toch op z'n minst quitte kunnen spelen.”

Ecologisch boeren dan maar? Dan zou Het Geldersch Landschap een stuk voordeliger willen verpachten. Maar dat betekent wel veel meer werk, en op het punt van afzet nog steeds grote onzekerheid.

Of wat ook zou kunnen: het melkvee eruit en de melkrechten verhuren. Zevenduizend liter à 40 cent, dat maakt ƒ 28.000 per jaar, waar je niks voor hoeft te doen. Maar stel dat die melkrechten in '98 worden afgeschaft - waar haal je dan de middelen vandaan om het melkbedrijf weer op te starten?

Goed, het wonderbaarlijke verhaal van het melkrecht, of te wel hoe uit het niets miljoenen kunnen worden geboren.

Tot in 1983 de superheffing werd ingevoerd kon je melken wat je wou. Toen kreeg elke boer het recht om tot een bepaald maximum te melken, daarboven een boete. En dat recht werd verhandelbaar. Het vertegenwoordigt inmiddels een enorme economische waarde. Op een beetje boerderij staat zeker vijf ton aan melkrecht. Prettig bij liquidatie.

Natuurlijk staan daar kosten tegenover. Een boerenzoon die broers en zusters wil uitkopen, zal nu ook de melkrechten moeten vereffenen. Een boer die wil uitbreiden moet melkrechten kopen of huren.

Nou denk ik wel eens: laten we (ter beteugeling van het vliegverkeer, ter bescherming van het milieu) iedereen in Nederland vliegrechten geven. Al is het maar 500 km per jaar - dan kun je op je twintigste toch al bijna heen en weer naar New York. Er zullen mensen zijn die het geld of de animo missen om hun vliegrecht te verzilveren, maar daar zullen mensen tegenover staan die voor hun werk of plezier aanvullende vliegrechten willen kopen. En laat dan de markt haar gang maar gaan.

Is dat geen revolutionair idee tot herverdeling van inkomen?

Bij overlijden kunnen mensen van hun resterende vliegrechten begraven worden. In de wandeling zal het al gauw heten dat het stoffelijk overschot ten hemel wordt besteld.

Op de veemarkt in Zwolle lag een koe te creperen, niemand deed er wat aan. Toen het dier eenmaal dood was, werd er ontzettend met het kadaver gesold. Wim Keyl naar de inspecteur van de Algemene Inspectiedienst in zijn kantoortje. Moet dat nou zo? Kijkt die vent hem aan en vraagt of-ie soms van een actiegroep is. Op zo'n moment zien ze kennelijk in één oogopslag dat je geen echte boer bent.

Ach, de veemarkt in Zwolle. Vroeger ging je erheen om een mooie koe te zien. Tegenwoordig worden mooie koeien buiten de markt om verhandeld. Wat daar nog wordt aangevoerd gaat vrijwel allemaal voor de dood, en wordt dienovereenkomstig bejegend. Het is één en al jagen en slaan, beesten in paniek.

Een keer waren ze 's avonds in de stad. Voor het naar huis gaan nog even bij de veemarkt langs. Staat daar een koe met een losse lap vel aan d'r knie, plas bloed op de grond. Wim Keyl naar de marktmeester. Nee, de veearts was al gewaarschuwd! Maar de volgende morgen staat het dier nog op dezelfde plek. Alleen is die plas bloed intussen veel groter geworden.

Eigenlijk kun je niks uitrichten. Als je er wat van zegt heb je ruzie. Of je wordt in je gezicht uitgelachen. Wégblijven, dat is welbeschouwd het enige.

Hij bemoeit zich met dingen. Langs de weg ook. Als er iemand met pech staat. Dan stopt hij om te vragen of hij kan helpen. En dan moet je die mensen zien kijken. Als de dood zijn ze.

Ik schiet in de lach. Ja Wim, neem me niet kwalijk, maar nou sta ik met pech langs de weg en daar stopt zo'n zigeunerbak en daar kom jij uitzetten, negentig kilo in het vierkant... reken maar dat ik 'm knijp!

Hij kijkt me verwonderd aan, ziet zichzelf opeens met andere ogen, en dan schiet ook hij in de lach.

Hoe het ook zij, iemand die zegt wat hij denkt, doet wat hij zegt. Deze directheid en een onmiskenbaar surplus aan spierkracht kwamen goed van pas toen hij in Ermelo op Groot Emaus werkte. Moeilijk opvoedbare jongeren, zwakbegaafd bovendien. Mooi werk. Hij gaat nog wel eens zo'n jongen halen voor een dagje op de boerderij.

Na middernacht, als we zijn uitgepraat over auto's en melkrechten, karate en veemarkt, moet er nog even naar het kalf Masterkova worden gekeken (naar die Russische hardloopster). Roodbont, zes dagen oud, dochter van Inge en Marty, uitstekende antecedenten.

Marty? Ken ik die niet? Zuidoost Genetics in Harfsen! Daar stond hij naast Sunny Boy. Wat is de wereld toch klein.

Onzeker komt het dier overeind uit het stro.

Ze houdt de rug wat hoog, de buik een beetje ingetrokken. Als je goed voelt: een harde navel. Daar zit een ontsteking onder. Dat kan je een kalf kosten.

Diny's vader zou het wel weten. Een handvol groene zeep en een paar keer goed masseren. Want je kunt er wel een spuit met peniciline inzetten, maar groene zeep is lang zo duur niet.

Wim neemt geen risico. Er zitten veeartsen op de sportschool, daar heeft hij veel van opgestoken. Peniciline dus.

De volgende morgen ligt bij Masterkova een bemoedigend hoopje mest in het hok. Precies de goede kleur, precies de juiste vastheid. Dan realiseer ik me ook wat het is dat dit kalf zo'n raadselachtige gaafheid verleent. De gruwelijke gele flappen ontbreken. Er zitten geen oormerken in. En haar hele leven op Zwaluwenburg zal ze geen oormerken krijgen ook.

“Daar krijg je problemen mee Wim.”

“Ik hoop het niet Koos.”

Melkenstijd.

Deze herfstige ochtend struint de kou als een struikrover langs de bosrand. Het slaapgezicht van de zon zit vol spinrag. Uit de hoogste regionen van een geweldige eik maakt zich een rumoerig stel kauwtjes los - steeds meer, steeds meer, de wonderbare vogelvermenigvuldiging. Ergens, onzichtbaar, mauwt een buizerd op trek.

Wim en Diny verzamelen hun koeien. Gelukkige koeien. Voor zover je over het geluk van koeien kunt oordelen.

Hier wordt van koeien gehouden, dat staat vast.

Hier grazen koeien in een benijdenswaardig landschap, dat staat ook vast. Elk weiland in een vierkant van bomen. Schaduw bij zon, luwte bij regen en wind - koeien zijn verknocht aan bomen, ook dat staat vast.

Ze hebben hun horens nog. Om die horens een leren riem, aan die riem een ijzeren ketting, die overdag koket op het voorhoofd ligt en bij het melken aan de vastzetring wordt bevestigd.

De tractor draait.

De machine melkt.

De hond likt druppels van het gras.

Op den duur hopen ze het quotum, die zeventigduizend liter, met tien koeien te halen. Vier, vijf minder dan nu. Dat betekent wat meer ruimte voor de vleeskoeien. Een weiland verderop. Zodra je over het hek klimt komen ze aandraven. Deze beesten zijn van een verbijsterende, haast verpletterende, tegemoetkomendheid. Aan alle kanten zware koppen om je heen. Aan alle kanten besnoven en opgepord. Je wordt er giechelig van.

Alleen de bijbehorende kalveren deinzen als je je hand uitsteekt terug.

Maar straks gaan ze op stal. De hele winter worden ze vertroeteld en aangehaald en dan zul je zien, volgend voorjaar zijn die al net zo mak als de rest.

Een halve charolais, wijst Wim Keyl. Een halve blonde, een halve piëmontees, een halve Belgische blauwe en een halve brown suisse.

En op mijn vraag of hij geen hele koeien heeft: “We zijn begonnen met een paar zwart- en roodbonte van onszelf en daar bestellen we sperma van vleesrassen voor. Die daar, dat is al een driekwart blonde.'

“Wij moeten wel uitkijken”, zegt hij, “dat we er niet te véél een liefhebberij van maken. Diny is wat dat aangaat nog erger dan ik. Die zou bij wijze van spreken nog eerder op kleur dan op produktie selecteren.”

Karateman tussen de koeien.

Als een man onwaarschijnlijke dingen combineert, dingen die je zelf nooit zou combineren, ben je geneigd hem verschillende persoonlijkheden toe te schrijven, persoonlijkheden die elkaar eigenlijk voor de voeten moeten lopen. Maar zo is het hier niet. Hij is ontegenzeggelijk één en dezelfde, 's avonds tussen de karateka's geen ander dan 's morgens tussen het vee. Alleen die manier van autorijden van hem, die houdt je alert op tegenstrijdigheden.