Wat moet je nou met Engels?; Taalonderwijs in het beroepsonderwijs wordt verwaarloosd

Een uurtje Engels en als je geluk hebt nog een uurtje Duits, dat is het vreemde- talenonderwijs op het MBO. 'Maar het is echt niet zo dat we hier met z'n allen zitten te verpiete- ren', verzekert een taalleraar.

'BIJ ENGELS en Duits leer ik eigenlijk niks bij”, zegt Esaï Beugelsdijk (18). Hij is tweedejaars MBO-elektrotechniek aan het Spectrum College in Breda. “Als je in een tekst een spellingsfout maakt, wordt dat niet bestraft.” En dat vindt Esaï schaamteloos, want “het staat behoorlijk knullig als je later in je correspondentie met een klant taalfouten maakt.”

Zijn docent Niek Stoop hoort hiervan op. “Maar leerlingen die hierover klagen hebben wel gelijk”, zegt hij “maar wat kan ik eraan doen? In een uur Engels per week kun je nu eenmaal niet alles doen wat je zou willen. Dat klinkt een beetje hopeloos, maar zo voel ik me soms ook.”

Het aantal uren dat voor vreemde-talenonderwijs wordt ingeruimd op het MBO blijft gemiddeld beperkt tot een uur Engels en een uur Duits per week. Bijna de helft van de taaldocenten komt hierdoor met de lessen in de problemen. Dit blijkt uit een recent onderzoek van het SCO-Kohnstamm Instituut van de Universiteit van Amsterdam naar de positie van het talenonderwijs in het MBO. “Ik kan maar vier van de zes voorgeschreven modulen doen”, zegt Gerard Jan van Dun, docent Engels aan de afdeling elektrotechniek van het Koning Willem I College in 's-Hertogenbosch.

Taalonderwijs op het MBO heeft een erg lage prioriteit, zo blijkt uit het onderzoek. En dat is eigenlijk niets nieuws. “Taalonderwijs is altijd al een ondergeschoven kindje geweest”, zegt Mariet van Goch, leraar Nederlands aan de afdeling elektrotechniek van het Spectrum College in Breda. De problemen zijn wel veranderd. Was vroeger bijvoorbeeld het probleem dat Nederlands geen examenvak was voor de technische afdelingen van het MBO, nu is het probleem dat geschikt lesmateriaal ontbreekt.

De basis van de huidige problemen ligt in 1993. In dat jaar werd de SVM (Sectorvorming en Vernieuwing van het Middelbaar beroepsonderwijs) ingevoerd. Vanaf toen moesten alle vakken meer beroepsgericht worden. Voor de talen betekende dit dat er meer nadruk op communicatie kwam te liggen en niet meer zozeer op grammatica en spelling. Bovendien werden centrale examens afgeschaft, waardoor de verantwoordelijkheid voor het eindniveau van de leerlingen bij de scholen zelf kwam te liggen. Binnen de gestelde eindtermen kregen scholen de vrijheid zelf het lesrooster n te delen.

Commissies met vertegenwoordigers uit de beroepsgroep en het onderwijs (COB, Commissie Onderwijs Bedrijfsleven) bepalen wat de toekomstige werknemers moeten kennen. “Zo is het vak Engels bij de richting activiteitenbegeleiding niet in de eindtermen opgenomen”, vertelt Sandra de Bresser, projectleider 'vreemde talen' op het Koning Willem I College, “omdat activiteitenbegeleiders bij de uitoefening van hun beroep geen Engels nodig hebben. Maar of dit hun algemene ontwikkeling ten goede komt is zeer de vraag.”

Het geringe aantal lesuren en het gebrek aan geschikt lesmateriaal zijn niet de enige problemen, zo komt naar voren uit het onderzoek van het SCO-Kohnstamm Instituut. Docenten houden nauwelijks rekening met de niveauverschillen van de leerlingen. De didactische werkvormen sluiten niet aan bij de eisen van de beroepspraktijk. De gestelde einddoelen die leerlingen moeten halen zijn vaak onduidelijk of ontbreken zelfs geheel. En soms worden taalvakken geheel geschrapt. “Maar het is echt niet zo dat we hier met z'n allen zitten te verpieteren”, verzekert De Bresser. “We zoeken heel actief naar oplossingen.”

TEKSTBEGRIP

Van Dun opent zijn les Engels voor de eerstejaars elektrotechniek van het Bossche Willem I College met het opnoemen van de cijfers voor de eerste overhoring. De cijfers lopen uiteen van 4.2 tot 9.2. Debet aan de variatie is onder meer het niveauverschil van de leerlingen. Ze zijn afkomstig van het VBO, Mavo en Havo. In het onderzoek van het SCO-Kohnstamm Instituut zegt ruim zestig procent van de docenten dat er onvoldoende mogelijkheden bestaan om rekening te houden met deze verschillen. Wat moet je dan als docent? “Ik laveer er qua niveau een beetje tussendoor”, zegt Van Dun.

In zijn lessen legt Van Dun de nadruk op tekstbegrip, omdat zijn leerlingen dat in hun latere beroep nodig hebben. Voor spelling en grammatica heeft hij weinig tijd. De grammatica die hij onderwijst is gericht op de beroepspraktijk: “Handleidingen werken veel met de gebiedende wijs, dus die moeten ze snappen.”

Gelukkig voor de leerlingen staat niet hun talenkennis maar hun technische vaardigheid bovenaan het verlanglijstje van de toekomstige werkgevers. Toch levert het taalgebrek problemen op. Frank Leermakers, personeelschef bij Hydraudyne Groep in Boxtel: “Algemeen kun je stellen dat MBO'ers wat betreft talenkennis niet het niveau hebben dat nodig is voor commerciële contacten met de buitenwereld. Ons bedrijf doet dan ook veel aan bijscholing op het gebied van communicatie en talenkennis.”

Een van de meest schrikbarende constateringen in het SCO-Kohnstamm-onderzoek is dat er vrij willekeurig taalvakken worden afgeschaft. Zo besloot vorig jaar de afdeling motorvoertuigentechniek van het Koning Willem I College het vak Duits af te schaffen. “De reden hiervan was de internationalisering van de auto-industrie”, verklaart afdelingsdirecteur Bart van Eeten. “Vroeger waren er voor Duitse automerken alleen Duitstalige handboeken, maar inmiddels worden ze ook in het Engels uitgegeven.” Toch is zijn afdeling teruggekomen van deze beslissing: “Communicatie met Duitse klanten bleek toch een belangrijk onderdeel van veel beroepen waarin onze leerlingen terecht komen. Daarom geven we nu in het tweede jaar weer één uur Duits.”

Uit het SCO-Kohnstamm onderzoek blijkt dat ruim de helft van de docenten over onvoldoende lesmateriaal beschikt en zelf maar aan de slag gaat. Veel docenten geven toe dat ze daarmee ongeveer een week voorliggen op het lesprogramma. De Bresser: “Als het mogelijk is krijgt een docent er taakuren voor, maar iedere afdeling heeft maar een beperkt aantal uren en op is op.” Inmiddels komen overigens ook uitgevers langzamerhand met aangepast materiaal op de markt.

Om doorstromers naar het HBO te ondersteunen in hun talenkennis biedt het Koning Willem I College leerlingen in het laatste jaar een 'doorstroom-pakket' aan. Een half jaar lang worden de leerlingen drie uur per week bijgespijkerd in hun Engels. Niet overbodig zo blijkt, want van de technische MBO'ers die doorstromen naar het HBO heeft circa de helft problemen met het Engels. “Onze studenten moeten Engels op Havo-niveau beheersen om mee te kunnen komen”, aldus T. Lammers, coördinator onderwijsuitvoering elektrotechniek aan de Hogeschool Eindhoven. Studenten kunnen op vrijwillige basis gedurende een semester twee uur per week hun Engels bijspijkerenCREATIVITEIT

Uit het SCO-Kohnstamm onderzoek blijkt dat de gebruikte didactische werkvormen meestal niet passen bij de eisen die aan het talenonderwijs worden gesteld. Het klassieke frontale lesgeven botst met de communicatieve doelstellingen van het talenonderwijs. Leerlingen moeten zelf actief bezig zijn en dat moet de leeromgeving toelaten. Maar faciliteiten ontbreken veelal en dus komt het op de creativiteit van de docent aan. Zo werken veel docenten van het Koning Willem I College met een indeling van de leerlingen in kleine groepjes naar leerstijlen. De achtergrond hiervan is dat leerlingen met verschillende analytische vermogens elkaar aanvullen. De een heeft immers snel overzicht en een ander heeft juist oog voor detail.

OP PAD

De leerlingen zelf zeggen er baat bij te hebben. Gert Lansdaal (16) komt van de LTS. Hij zit in het eerste jaar van elektrotechniek. Hij heeft moeite met Engels, maar wordt in zijn groepje geholpen door Diego Benavente Prieto (16) en Antoine de Bonth (17), beiden afkomstig van het Mavo. Gert heeft een voorsprong bij de technische vakken en kan dan zijn maatjes helpen.

Ook de klassen van docente Van Goch zijn onderverdeeld in groepjes. Zij stuurt haar leerlingen in groepjes op pad om een rapportage te schrijven over een technische kwestie. Ze moeten zelf informatie verzamelen bij bedrijven en de gegevens schriftelijk verwerken. Tot slot moeten ze hun rapport mondeling verdedigen. “Het bedrijfsleven vraagt om werknemers die kunnen overleggen, vergaderen, spreken en corresponderen”, aldus Van Goch.

Om de mondelinge communicatie te stimuleren kan een vreemde taal als voertaal gebruikt worden tijdens de les. Ook Van Dun spreekt tijdens de les zoveel mogelijk Engels, behalve wanneer hij instructies geeft, want: “De leerlingen moeten wel snappen wat ze moeten doen.”

Naast deze praktische oplossingen wordt er ook meer structureel nagedacht over aanpassingen van onderwijsvormen op het MBO. Op advies van de projectgroep 'vreemde talen' op het Koning Willem I College is er een talenlab met 52 plaatsen tot stand gekomen. Voordeel voor de leerlingen is dat ze niet gestoord worden door andere groepjes, zoals in de klassieke lessituatie het geval was. Bovendien hoeft de docent niet meer rond te lopen om mee te luisteren. Hij of zij kan dit rechtstreeks doen via de koptelefoon.

Veel talendocenten hebben het gevoel te moeten vechten voor hun vak, zowel bij de leerlingen als bij mede-docenten. Docent Engels Van Dun heeft daarom in zijn klas personeelsadvertenties hangen van bedrijven waar kennis van het Engels een vereiste is. Mede-docenten raakten pas overtuigd van het nut van Engels toen ze bij een buitenlandse stage een presentatie in die taal moesten houden. “Pas op dat moment zagen ze hoe belangrijk het is je talen te spreken”, aldus Van Dun. De Bresser: “Communicatie kun je niet los zien van andere vakken. Je kunt in het huidige onderwijs op het MBO echt niet meer de deur van je lokaal op slot doen.”