Wantrouwen gezagsdragers Nederland en Aruba

DEN HAAG, 12 OKT. Gebrek aan gezag en een langdurig opgekropt, doorwoekerend wantrouwen tussen functionarissen van politie en justitie. De crisis in de Arubaanse criminaliteitsbestrijding, die de commissie onder leiding van de voormalige Nederlandse minister De Ruiter heeft onderzocht, vertoont in veel opzichten overeenkomsten met de opsporingscrisis die zich de afgelopen jaren in Nederland aftekende.

De verhouding tussen procureur-generaal Zwinkels en de Arubaanse regering is grondig verstoord, constateert de commissie-De Ruiter. De kloof tussen de procureur-generaal en de politie is zelfs nog dieper. De hoofdrolspelers op Aruba - Zwinkels, politiechef Rasmijn en diens plaatsvervanger Zaandam - moeten allen het veld ruimen om voorwaarden te scheppen voor werkbare verhoudingen in de politie- en justitietop.

Opvallend is dat de commissie een deel van de problemen op Aruba verklaart door de kleine schaal van het 90.000 inwoners tellende eiland, dat tien jaar geleden de status aparte kreeg binnen het Koninkrijk. Zo zit de procureur-generaal te dicht op de politie, zoals de regering te dicht op de samenleving zit. Als de 'bestuurlijke lijnen' te kort zijn, bestaat er te weinig doorzichtigheid en openheid die in een democratie noodzakelijk zijn, meent De Ruiter.

Een voor de hand liggende oplossing die de commissie aandraagt voor de vergroting van de afstand tussen justitie en politie is de benoeming van één procureur-generaal voor de Nederlandse Antillen en Aruba. Die structuur, waarin nog maar één openbaar ministerie bestaat voor alle eilanden, komt overeen met de situatie van voor de status aparte. De Antillen en Aruba hebben bovendien nog steeds één hof, waardoor die onnatuurlijke splitsing ook wordt opgeheven.

Minder gemakkelijk zal het zijn om de gezagsrelatie tussen politie en justitie op Aruba te herstellen. Het openbaar ministerie op Aruba heeft volgens De Ruiter al op papier, laat staan in de praktijk, te weinig gezag over de politie. Dat gezag moet onomstotelijk komen vast te staan voordat kan worden begonnen met het terugdringen van de veelal zelfstandig opererende politie.

Eén van de zaken die het meest in het oogst springen in het rapport is het wantrouwen tussen Nederlandse en Arubaanse gezagsdragers, die met elkaar met onvoldoende respect bejegenen. De problemen bij de criminaliteitsbestrijding op Aruba hebben in Nederland het beeld opgeroepen van een eiland dat een belangrijke rol speelt in de internationale drugshandel. De commissie schetst de Nederlandse beeldvorming van een klein land dat ten prooi is gevallen “aan enkele machtige families” die Aruba gebruiken “ten voordele van Zuidamerikaanse drugskartels en die de regering naar hun pijpen laten dansen. “Een gevaarlijk land van corruptie en misdaad” waar de autoriteiten niet te vertrouwen zijn en rechtstreeks betrokken zijn bij drugshandel en witwaspraktijken.

Dat “dreigingsbeeld” is zeker aanwezig, nuanceert De Ruiter, maar dat geldt voor een land als Nederland evenzeer. Duidelijk is volgens hem wel dat de positie van Aruba, alleen al door zijn ligging, kwetsbaar is. Maar de betrokkenheid van Arubaanse gezagsdragers bij drugshandel of witwaspraktijken is nooit bewezen, concludeert De Ruiter op basis van het Amerikaanse International Narcotics Control Strategy Report van 1996.

Omgekeerd, vanuit Arubaanse visie, neemt Nederland Aruba niet serieus en worden Nederlandse ambtenaren die naar het eiland komen gezien als vertegenwoordigers van een land dat zijn koloniale verleden nog onvoldoende heeft afgeschud en als mensen die de zaken naar hun hand komen zetten.

De Arubaanse regering heeft bij herhaling laten blijken hevig gepikeerd te zijn over het feit dat “Nederlandse instanties Aruba ervan willen overtuigen dat rechtszekerheid en optreden tegen drugshandel belangrijke zaken zijn, en zelfs dat zij nu doen voorkomen alsof Aruba achterblijft en zelfs Nederlandse inspanningen op dit gebied frustreert”. En dat, terwijl Aruba al negen jaar geleden vroeg om het inzetten van de Koninklijke Marine.

Als positieve kanttekening merkt De Ruiter bij die uitspraken van de Arubaanse regering op dat niemand op Aruba de band met Nederland zou willen verbreken. In tegendeel, de “enige reden” voor Aruba om in het Konkinkrijk te blijven ligt in de garanties met betrekking tot de rechtszekerheid.

De negatieve beelden die beide partners in het Koninkrijk over elkaar hebben gevormd, concludeert de commissie-De Ruiter, verdragen “zich uitermate slecht met de samenwerking binnen het Koninkrijk”. Plechtig verklaart hij dan ook in zijn eindrapport 'Met alle respect' dat hem “geen enkel feit bekend is geworden” dat een op vertrouwen gebaseerde samenwerking met de Arubaanse regering ter bestrijding de georganiseerde criminaliteit in de weg zou staat. Voorwaarde is wel dat beide landen elkaar beter verstaan.

Een Nederlands 'ingrijpen', zoals in de politiek wel wordt gesuggereerd, vindt De Ruiter geen oplossing. “We moeten niet denken: Aruba heeft een probleem, dus moet een Nederlander het maar gaan oplossen. Dat zit ons nu eenmaal in het bloed. Maar politie en justitie zijn volstrekt een zaak van Aruba.”