Victor Horta's tocht van zwierig naar recht in beeld

Tentoonstelling: Victor Horta. In Paleis voor Schone Kunsten, Ravensteinstraat 23. Tot 5 jan. 1997 van di. t/m zo. 10-18 u. Catalogus 1250 frank.

Horta-lezingen, Paleis voor Schone Kunsten, 3, 10 en 17 dec. om 20.00 uur; Films uit de jaren 1928-1938, Filmmuseum, Baron Hortastraat 9, op 20 okt. 3, 17 nov. 1,8,15 dec., 80 frank; Concerten uit het Interbellum, Paleis voor Schone Kunsten, zondags om 11 u., 295 fr. Rondleidingen in Brussel langs het oeuvre van Horta, inl: 00-32 2 511 7883 Er zijn gebouwen waar je tientallen keren doorheen kunt lopen, zonder te beseffen hoe mooi ze zijn. Het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel is zo'n gebouw. Het cultuurpaleis, tussen 1922 en 1929 gebouwd door de Belgische architect Victor Horta, is monumentaal maar niet bombastisch opdringerig. Pas bij goed kijken vallen details op als een sierlijke trapleuning, een subtiele deurklink of een geraffineerd glas-in-loodraam. Bovendien is er een excuus waarom de schoonheid tot nu toe niet goed doordrong: de indrukwekkende entréehal was de afgelopen twintig jaar aan het zicht onttrokken, omdat ze was omgebouwd tot een 'animatiehal' en art shop.

Na een restauratie is de hal, die smalend de 'gymzaal' werd genoemd, nu hersteld tot de oorspronkelijke 'zaal voor de beeldhouwkunst'. De vloer met mozaïekpatroon in roze en grijs marmer is weer zichtbaar, net als de brede trap die naar het museum leidt, de klassieke zuilen en een in symmetrische patronen verdeeld glazen dak. Ook staat er weer een beeld van Antoine Bourdelle, aan wie in 1928 in deze zaal een tentoonstelling was gewijd waarmee de sculpturenhal werd ingewijd. Alleen de kleur van de muren en de zuilengaanderij, nu wit, is niet oorspronkelijk.

Het Paleis voor Schone Kunsten met zijn beeldenhal, enorme concertzaal, theaterruimte, kantoren en tentoonstellingszalen, was het grootste gebouw dat Victor Horta ontwierp en toch is het een van zijn minder bekende werken. Horta, die in de jaren vijftig geheel in de vergetelheid raakte, werd daarna vooral beroemd als art-nouveau-architect. Zijn eigen, eind vorige eeuw gebouwde huis in de Brusselse wijk Sint-Gillis bijvoorbeeld, dat jaarlijks zo'n 50.000 bezoekers trekt, is een hoogtepunt van art-nouveau-architectuur. Met zijn slingerende vormen en uitbundige versieringen steekt het schril af bij de strakke lijnen van het Paleis voor Kunst en Cultuur dat in een klassiekere, geometrische stijl is gebouwd. Na de Eerste Wereldoorlog en een verblijf in de Verenigde Staten, had de Belgische architect art nouveau verruild voor een stijl dicht bij art deco.

Het werk van Victor Horta (1861-1947) is nu onderwerp van een expositie in het Paleis voor Schone Kunsten. De tentoonstelling volgt Horta's ontwikkeling van het beweeglijke art nouveau naar een strakker en zakelijker vormgeving. In de spaarzaam ingerichte zalen zijn foto's en plattegronden van Horta's herenhuizen te zien, evenals zo'n tweehonderd voorwerpen, variërend van een handdoekrek tot een brievenbus. Op de expositie blijkt duidelijk hoe voor Horta architectuur en decoratieve kunsten één geheel vormden, zoals de originele eetkamer van het Hortahuis, dat in een particuliere collectie terecht kwam. Ook is er een bed met nachtkastjes en er zijn de strakker vormgegeven salonmeubels die hij in 1914 ontwierp voor het tweede huwelijk van zijn dochter Simone.

In één zaal liggen met mos begroeide brokstukken van twee verdwenen Hortagebouwen: het in de jaren vijftig afgebroken Aubecqhuis en het in 1895 in opdracht van de Belgische Werkliedenpartij gebouwde Volkshuis dat in 1965, toen het functionalisme in Brussel hoogtij vierde, moest plaatsmaken voor een flat. Van beide gebouwen zijn met behulp van de nog beschikbare tekeningen en foto's maquettes gemaakt, die op de expositie voor het eerst te zien zijn. Ook is er een maquette van het nooit gerealiseerde stedebouwkundig project dat Horta ontwierp voor de wijk rond het Paleis voor Schone Kunsten. Zijn ontwerp moest een overgang vormen tussen de 'hoogstad' waar het cultuurpaleis ligt en de 'laagstad', met tussen beide stadsdelen een overdekte galerij. De galerij kwam er, maar van het panorama over de laagstad dat Horta had voorzien vanuit de 'cultuurtempel', is niet veel over gebleven.

Niet alleen het tentoongestelde, ook het Paleis voor Schone Kunsten zelf is een bezoek waard. Van de indrukwekkende beeldenzaal tot de labyrintische gangen die langs zithoekjes en door glas-in-looddeuren leiden naar de concertzaal - alles is nog intact. Het gebouw, dat lang is verwaarloosd, wordt nu gerestaureerd. Het terugbrengen in oorspronkelijke staat van de centrale hal was een eerste stap, de volledige restauratie moet tegen het jaar 2000 klaar zijn als Brussel culturele hoofdstad van Europa is. De tentoonstelling en de restauratie moeten het paleis meer bekendheid geven. Tegelijkertijd komt hiermee een einde aan verdere plannen om het interieur te veranderen, zoals in 1971 gebeurde met de entréehal.

De restauratie stelt het Paleis voor Schone Kunsten veilig voor een toekomst, die het Volkshuis of het warenhuis Innovation niet was beschoren. Ondanks de Brusselse bouwwoede kon toch een deel van Horta's werken in de Belgische hoofdstad ontkomen aan de sloop. Het Centraal Station staat er nog, net als het Hortahuis dat momenteel wordt gerestaureerd. Het Van Eetvelde- en het Tasselhuis werden gered en gerestaureerd door de architect Jean Delhaye en het Solvayhuis aan de Louizalaan ontkwam in 1957 aan de sloophamer toen het werd opgekocht door de Horta-minnende familie Wittamer. Het in 1906 door Horta ontworpen warenhuis Waucquez vond eind jaren tachtig een originele nieuwe bestemming: het is nu stripmuseum.