Vegetariërs leven niet langer dan de rest van de Britse bevolking

Britse onderzoekers hebben in de jaren zeventig bij 11.000 'van hun gezondheid bewuste' vrouwen en mannen een aantal toen belangrijk geachte voedingsgewoonten geturfd en nu, gemiddeld 17 jaar later, gekeken hoe het die mensen vergaan is. Tegen de verwachting in bleken vegetariërs, nadat was gecorrigeerd voor al dan niet roken, niet langer te leven haden dan de rest van de Britse bevolking.

Het dagelijks eten van vers fruit sprong er wél duidelijk positief uit: 32% minder sterfte aan beroertes, 24% minder dodelijke hartziekte en 21% minder sterfte aan alle doodsoorzaken bijeen (British Medical Journal, 28 september).

De 11.000 Britse proefpersonen werden tussen 1973 en 1979 gerekruteerd uit de cliëntele van natuurwinkels, de ledenbestanden van vegetarische organisaties en de abonnees van gezondheidstijdschriften. Men wilde namelijk onderzoeken of er een samenhang was tussen een hoog gebruik van voedingsvezels of een vegetarisch dieet en een verminderde sterfte aan allerlei doodsoorzaken, vooral aan darmkanker (het idee dat er een dergelijk verband kon bestaan was toen net nieuw). Alle 11.000 mensen werd gevraagd of ze vegetarisch waren en of ze volkorenbrood, zemelen, noten, gedroogd of vers fruit en rauwe salade consumeerden.

Er waren ook vragen over roken en het gewicht (maar niet de lengte). Aan vis-, melk- en vetconsumptie of aan alcoholgebruik werd geen aandacht besteed. Ook naar andere factoren waarvan nu wordt aangenomen dat ze verband houden met de gezondheidstoestand, bijvoorbeeld sportbeoefening en sociaal-economische status, werd niet gevraagd. Dat er wel aandacht werd besteed aan vers fruit was eigenlijk ook toeval; die vraag was vooral bedoeld om het gebruik van vezels te inventariseren. Aan de hand van de officiële overlijdenscertificaten heeft men bekeken wat er van deze mensen geworden is. Het bleek dat er in 1995 van de oorspronkelijke groep 1343 mensen voortijdig (dat wil zeggen voor hun tachtigste jaar) overleden waren, 44% minder dan onder de rest van de Britse bevolking. Hierbij moet natuurlijk worden aangetekend dat die lage sterfte niet alleen met de voedingsgewoonten te maken had; het ging hier om een zeer gezond levende groep mensen met een (zeker voor die tijd) bijzonder laag percentage rokers: slechts 19%.

Zoals gezegd, was men twintig jaar geleden nog niet geïnteresseerd in de visconsumptie. In The Lancet van 21 september staat echter goed nieuws voor viseters. Daar wordt de gezondheidstoestand van de inwoners van twee op nog geen honderd kilometer van elkaar gelegen Tanzaniaanse dorpjes besproken. De levensomstandigheden zijn zeer vergelijkbaar, op één aspect na: het ene dorpje ligt vlakbij een groot meer en de bevolking leeft geheel van vis en het andere ligt midden op het platteland. In beide dorpjes is geen vlees te krijgen. Het resultaat van het onderzoek: onder de viseters heeft 2,8% een hoge bloeddruk, vergeleken met 16,4% van de vegetariërs. Ook is het cholesterolgehalte bij de viseters duidelijk lager.