Valse tijd

IN DE OORLOG zette de bezetter de klok opeens veertig minuten vooruit, schreef een lezeres in Den Haag al weer enige maanden geleden. Hoe is dat eigenlijk afgelopen, hebben wij die tijd ooit teruggekregen? En wat is eigenlijk de 'echte' tijd voor een land als Nederland? Zomertijd, wintertijd of iets er tussenin?

Een aardige vraag, mevrouw, die plotseling aan actualiteit heeft gewonnen nu voor het eerst in de geschiedenis van het Nederlandse volk dit volk uit vrije wil een oktober ondergaat waarin de zon 's avonds pas om half zeven ondergaat. In de jaren voor de oorlog ging de zon omstreeks 12 oktober al rond vijf uur onder, door de Duitsers is dat veertig minuten verlaat en na de oorlog is het nooit meer veranderd. Tot aan dit jaar. Nu is er opeens op bevel van de Europese Commissie in een streven naar volledige harmonisatie nog een uur aan toegevoegd. Als het ten goede komt aan volledige harmonisatie - en economische groei natuurlijk - gaat de zon binnenkort pas na middernacht onder en kookt water voortaan bij 90 graden.

Het antwoord op de gestelde vraag is dus: nee, ook die veertig minuten hebben we nooit meer teruggezien. Onze tijd is Duitse tijd en hij wordt steeds Duitser. Maar ach, het had zoveel erger kunnen zijn. Want de bezetter zette de klok in mei 1940 niet veertig minuten vooruit maar één uur en veertig minuten: veertig minuten voor de Berlijnse wintertijd (die als 'Midden Europese Tijd' verkocht is) en een uur voor de Berlijnse zomertijd. Voor het gemak hield men die zomertijd ook maar gelijk de eerste twee winters in stand, pas in november 1942 werd weer voor een klein half jaar wintertijd ingevoerd. Een zo wonderlijke oktober als nu heeft Nederland dus driemaal eerder meegemaakt: in '40, '41 en '42.

Waarmee niet gezegd is dat al niet eerder zomertijd werd gebruikt. Al voordat Nederland zijn tijd wettelijk regelde (1909) werd er in het buitenland met zomertijd geëxperimenteerd en al in 1916 nam men hier het idee over, zij het voor wonderlijke perioden. In een jaar als 1923 begon de zomertijd pas op 1 juni en werd hij rond 1 oktober beëindigd. Ergens aan het eind van de jaren twintig of het begin van de jaren dertig is het systeem weer losgelaten - vooral de boeren waren tegen - en het werd uit vrije wil pas opnieuw in 1977 ingevoerd. De horeca had er jaren tevergeefs op aangedrongen maar na de energiecrisis van 1973 was er opeens een argument dat de doorslag gaf: zomertijd zou energie besparen. De bezwaren van boeren tegen nachtvochtigheid werden terzijde geschoven en in april 1977 was het zover.

Energiebesparing heeft het zeker niet opgeleverd (integendeel, het al vroeg geuite vermoeden dat het uurtje extra daglicht vooral zou worden gebruikt voor een extra avondrit met de auto lijkt bewaarheid), de nachtvochtigheid is gebleven maar horeca en recreatie bloeien. Daar gaat het om.

De enige juiste tijd, kan hier en passant worden opgemerkt, is natuurlijk de tijd waarbij het twaalf uur is als de zon op haar hoogst in het zuiden staat. Dat is in een klein land als Nederland met een nauwkeurigheid van een minuut of vijftien, twintig te bereiken en tot aan 1916 hadden we dan ook een heel goede tijd. En in de winters tot aan 1940.

Genoeg! Frankrijk wil weer van de valse tijd af dus misschien komt het nog goed. Lastiger vragen kwamen van lezers in Enschede en Hoorn. Zij signaleerden een intrigerende asymmetrie in het lengen en korten van de dagen. In deze weken worden de dagen korter omdat de zon 's ochtends steeds later opkomt en 's avonds eerder ondergaat, maar zij gaat steeds 's avonds méér minuten eerder onder dan zij 's ochtends aan minuten later opkomt. Per week 12 miunuten later op en 16 minuten eerder onder. Wie er de 'Sterregids' bijpakt ziet dat er nog wel krassere dingen gebeuren. Er zijn weken waarin de dagen om zo te zeggen 's ochtends nog korten terwijl ze 's avonds al lengen.

Waar ligt dat aan? Kijk, lezer, wij kunnen hier wel doen alsof wij gek zijn, voor de show stad en land afbellen, enzovoort, maar wie de ontwikkelingen van de laatste eeuwen een beetje heeft gevolgd ziet wel in dat het aan een beperkt aantal onvolkomenheden in de aardse beweging rond de zon moet liggen. De aardbaan is een ellips die in wisselende snelheid doorlopen wordt en de aardas staat nogal scheef op het vlak door die ellips. Daar moet het aan liggen, want andere onvolkomenheden (de afplatting en de oriëntatie van de scheve as in de ellips) zijn in dit geheel te onbeduidend.

De uitdaging is te bepalen wat de belangrijkste invloed heeft: de scheve as of de onvolkomen cirkel. Om klein te beginnen heeft de AW-redactie deze week willen uitzoeken hoe het met het lengen en korten zou staan bij een aarde die wel een scheve as bezit maar overigens in een perfecte cirkel eenparig rond de zon loopt. Maar veel is het nog niet geworden. Getekend, geplakt, gevouwen, pingpongballen met satéstokje doorboord, zaklantaarn erbij, en nog steeds onduidelijkheid.

Het besef is doorgebroken dat al veel gewonnen zou zijn als bewezen is dat de zonnedag (de tijd die er verloopt tussen twee opvolgende hoogste zonnestanden) ook bij het beschreven type aarde varieert. Wat vanzelf de vraag opwierp wanneer überhaupt is vastgesteld dat de zonnedag niet constant was. Was dat pas nadat Christiaan Huygens in 1656 een voldoende secure klok ontwikkeld had? Of voelde men al veel eerder nattigheid? Maar had dan Kepler in 1600 niet zonder dat ingewikkelde gecijfer aan de Marsbaan kunnen concluderen dat planetenbanen ellipsen zijn? Hoe valt te duiden dat onze eigen Barentsz botweg ontkende dat de zon op 24 januari 1597 boven de horizon van Nova Zembla uitkwam terwijl Heemskerck het zelf aan het strand had gezien. Volgens de Ephemeriden van Josephus Schala was het twee weken te vroeg, zei Barentsz. Maar waarop waren die efemeriden in hemelsnaam gebaseerd? En nog eens wat: wat voor 'orlogie' hing daar in de hoek van het behouden huis als het nog niet slingeren kon? Wat deed men ermee? Vragen verzinnen, dat is de kunst niet.