Twee werelden

“DE KANTONRECHTER zal wel in formele zin verdwijnen, maar als fenomeen leeft hij - op aanzienlijk grotere schaal dan thans - voort binnen het grotere geheel van het gerecht in eerste aanleg”. Met dit wijdse perspectief probeerde minister Korthals Altes (justitie) nog in zijn demissionaire periode in 1989 de kantonrechters van Nederland over de streep te trekken voor de grootscheepse herziening van de rechterlijke organisatie die hij had gelanceerd.

Daarin is geen plaats voor deze verre opvolger van de “vrederechter” van weleer. Ze moeten opgaan in de arrondissementsrechtbank-nieuwe stijl, een breed gerecht van eerste aanleg.

Rechters zijn niet rebels van nature, maar de opheffing van de kantongerechten heeft toch een niet te bedaren furie losgemaakt bij de betrokken magistraten. De kantonrechtspraak heeft ook een aantal sterke kanten: relatief snel, laagdrempelig, hoge productiviteit, cliëngericht. Dit fraaie judicium komt van niemand minder dan de Raad van State. Het hoge college van staat heeft de onderzoekers aan zijn zijde. Uit diverse metingen komen de kantongerechten goed naar voren.

Waarom moeten de kantongerechten dan toch verdwijnen? Aanvankelijk werd vooral het abstracte argument van de rechtseenheid naar voren geschoven: het tegengaan van lastige competentiegeschillen, eenvoudiger besluitvorming. Tegenwoordig ligt het accent meer op de “kwaliteitsimpuls door ervaren kantonrechters” die hun integratie in de rechtbanken oplevert. Maar minister Sorgdrager (justitie) wijst ook veelbetekenend op “het solitaire karakter van het ambt van kantonrechter” en noemt “met name de kleinere kantongerechten bijzonder kwetsbaar”. Bijvoorbeeld voor “slechte verstandhouding”.

De recente geschiedenis levert enig illustratiemateriaal bij deze waarschuwing. De kantonrechters hebben zich deze echter aangetrokken en zelf maatregelen genomen om het eigen huis op orde te brengen. Zij hebben het initiatief genomen voor de vorming van één kantongerechtsorganisatie per arrondissement. Deze kan voorzien in onderlinge vervanging en overleg met behoud van de eindverantwoordelijkheid van de afzonderlijke kantonrechter voor zijn eigen portie zaken die nu juist zo bevorderlijk is gebleken voor de efficiëncy.

TOT ZOVER IS ER geen probleem met het drie-stappenplan dat Sorgdrager in maart ontvouwde. Het grote knelpunt is de “inhoudelijke integratie” die haar per 1 juli volgend jaar voor ogen staat. Waarom wordt daar toch zo moeilijk over gedaan? De unus judex (alleenrechtsprekende rechter) zoals de kantonrechter is al de grote trend: de rechtbankpresident in kort geding, de kinderrechter, de (economische) politierechter, de enkelvoudige kamer in burgerlijke en bestuursrechtelijke zaken. Voeg daarbij de omzetting van een aantal kantongerechten in nevenlokaties van de rechtbanken en er ontvouwt zich een perspectief dat het beste van twee werelden behoudt.

Het blijven echter twee werelden, zoals onomwonden werd gesteld door de huidige president van de Amsterdamse rechtbank Gisolf: “Wij zijn een nieuw huis voor de komende eeuw aan het bouwen voor onze rechtspraak. Een zolderkamertje waarin de kantonrechter dan nog zal huizen past daar niet in”. Ondanks alle sussende woorden gaat het dus wel degelijk om een annexatie.

De kantonrechter is binnen het rechterlijk bestel bij uitstek ingesteld op de belangrijkste rechtszaken waar de gewone burger mee te maken krijgt, met zijn huisbaas, werkgever of leverancier dan wel met de officier van justitie voor een verkeersfout. Zonder dat de burger daarnaar is gevraagd, schamperde de Utrechtse rechtssocioloog Bruinsma, wordt verondersteld dat hij liever boodschappen doet in een juridische supermarkt dan bij de winkelier op de hoek. De tekenen wijzen eerder op het tegendeel: als de kantongerechten er niet waren zouden ze nu worden uitgevonden maar omdat ze er zijn gaat men ze opheffen, zoals de vroegere Amsterdamse hoogleraar Stein het heeft uitgedrukt.

Als het slechts gaat om een nominale samensmelting hoort de inhoudelijke integratie niet thuis in de rechterlijke reorganisatie. Als het de bedoeling is de kantonrechter echt af te schaffen, dan wordt steeds meer de vraag: waar is dat eigenlijk goed voor?