Theater en BTW

Er wordt al jarenlang door de politiek en de culturele sector gepraat over de BTW-tariefverlaging. Zo heeft het kabinet-Lubbers acht jaar geleden al afgesproken om te streven naar een zo laag mogelijk BTW-tarief voor cultuur. Helaas werd daaraan geen invulling gegeven.

Sinds 1994 is door het huidige kabinet de BTW-verlaging gekoppeld aan een bijzondere voorwaarde, namelijk tariefverlaging in ruil voor een vrijwillige afdracht door de sector, ter dekking van het tekort op de cultuurbegroting. Door de commerciële culturele producenten is altijd positief gereageerd op dit voorstel, onder het voorbehoud dat het risico van concurrentieverstoring dat kleeft aan een afdracht op vrijwillige basis, zou worden weggenomen.

Tariefverlaging in ruil voor een afdracht op vrijwillige basis brengt met zich mee dat iedereen in de sector profiteert van de belastingverlaging, terwijl niet iedereen meedoet aan de vrijwillige afdracht. Afdracht door een ieder is door de sector zelf ook niet te realiseren, omdat de sector te divers is en bovendien buitenlandse producenten zich ook eenvoudig op de Nederlandse markt kunnen begeven. Hierdoor komt de concurrentiepositie van hen die wel bereidwillig zijn een bijdrage te verlenen aan de begrotingsproblematiek van het rijk onder vuur te liggen. Daarom is vanuit de sector, overigens zonder succes, gesuggereerd om de afdracht via een heffing van overheidswege te realiseren, die dan voor iedereen in de sector zou gelden.

Staatssecretaris Vermeend heeft het risico van de concurrentieverstoring dat kleeft aan een afdracht op vrijwillige basis erkend, maar heeft zijn toezegging om dit risico weg te nemen niet waargemaakt. De commerciële culturele producenten vrezen nu dat de lang verwachte BTW-verlaging wéér niet doorgaat!