Overleven in de Roemeense Donau-delta; De achterkant van Europa

Veel bewoners spreken er nog 17de eeuws Russisch, en hebben nooit een auto gezien: de Donau-delta is het ontoegankelijkste deel van Europa. Honderden verschillende diersoorten leven er, waarvan tientallen nergens anders ter wereld voorkomen. Zij worden beschermd en bestudeerd door buitenlandse wetenschappers. Maar voor de vijftienduizend menselijke bewoners, nazaten van vluchtelingen, interesseert bijna niemand zich. Modderen in het moeras: 'De mensen van de delta zien als eersten de zonsopgang, maar als laatsten de rechtvaardigheid.'

In Tulcea vertrekken de boten. Deze afgelegen rivierhaven in het uiterste oosten van Roemenië vormt de toegangspoort tot de Donau-delta, een reusachtig labyrint van kanalen, sloten, meanders, poelen, meren, zandbanken, zijriviertjes, drijvende rieteilanden, wetlands, lagunes, bossen, stranden en duinen. Vijftienduizend mensen wonen er, de meesten nazaten van religieuze minderheden die ooit op de vlucht voor vervolging sloegen en een gebied zochten waar niemand hen ooit terug zou vinden. Het bleek geen slechte keuze: de tussen de Zwarte Zee en het Roemeens-Oekraïense grensgebied ingeklemde delta - bijna even groot als de provincies Utrecht en Zuid-Holland samen - vormt de uithoek der uithoeken, niet voor niets ook wel 'de aars van Europa' genoemd.

Het moeras is niet alleen een toevluchtsoord en reservaat voor mensen, maar ook voor dieren. Het zijn er zo veel en de voorkomende soorten zijn zo uniek, dat de Donau-delta in 1990 door de UNESCO werd uitgeroepen tot Biosfeer Reservaat. De medewerkers van het Donau Delta Instituut in Tulcea brengen flora, fauna en bevolking van de delta in kaart, op splinternieuwe door de Nederlandse overheid betaalde computers met cd-rom.

Die belangstelling biedt voordelen. Zo is er sinds kort een goede landkaart beschikbaar, waarop de chaotische geografie van het gebied overzichtelijk is weergegeven. In de delta zijn geen wegen, de 28 dorpen en de 'spookstad' Sulina zijn alleen per boot te bereiken. Vier dorpen beschikken nog altijd niet over elektriciteit, vrijwel nergens is leidingwater. De cartografen uit Nederland, de vertegenwoordigers van de Wereldbank, de ornithologen uit Cambridge: zij komen allemaal in de eerste plaats voor de ecosystemen, de pelikanen, de wasbeerhonden. Maar zelden wordt er iets voor de deltabewoners gedaan, jarenlang zijn ze vooral vergeten.

De 'mensen van het moeras' staan bekend als wild, primitief en gehard. Lipovenen zijn het, afvallige Russisch-orthodoxen die, tegen alle verdrukking in, zijn blijven vasthouden aan de oude Byzantijnse liturgie en die nog altijd 17de eeuws Russisch spreken. Naast Roemenen wonen er Grieken, 'ketterse' Oekraïners, Tataren, Turken, Hongaren, Bulgaren, Duitsers, Armeniërs en zigeuners. De laatste jaren lopen vele dorpen in de delta leeg, wie de mogelijkheid heeft trekt naar Sulina of op zijn hoogst naar het vlak buiten de delta gelegen Tulcea, veel verder komen ze niet.

Hoe leeft de bevolking van Sfîntu Gheorghe, eeuwenoud toevluchtsoord voor de Oekraïners 'van de oude rite'? En die van de spookhaven Sulina, de enige echte stad in de delta? Hoe houden de inwoners van het totaal geïsoleerde Lipoveense dorp Sfistofca het hoofd boven water?

Het contact met de buitenwereld verloopt voor de deltabewoners via drie vaste bootverbindingen vanuit Tulcea, over evenzovele gekanaliseerde Donau-armen. De aan een van deze drie kanalen gelegen plaatsjes worden een paar keer per week aangedaan - als het water niet is bevroren - en wie naar de overige dorpen wil, moet zelf een motorsloep of roeiboot zien te regelen. En een plaatselijke gids, want wat vorige maand een sloot was, kan morgen een moeras zijn. Door de stromingen, de slibafzetting en de winden verandert de delta onophoudelijk. De eindbalans is positief: jaarlijks komt er in totaal drie à vier hectare bij.

De tabellen met vertrektijden in het morsige havenkantoor van Tulcea zijn gebaseerd op trajecten per 'boot', dan wel per 'snelle boot'. Maar op een handgeschreven briefje valt te lezen: “De snelle boot vaart vanaf 3 september 1996 niet meer, omdat deze kapot is. Was getekend: de directie.”

De boot naar Sfîntu Gheorghe heet de Mures. De passagiers hebben veel bagage bij zich: manden met kippen, gasflessen, aardappelen, kratten bier, bakolie, mineraalwater, zakken meel. De meeste mannen aan boord zijn ongeschoren, ze hebben petten op en gaan gehuld in vuile overhemden. Hun gezichten zijn verweerd van de felle zon in de zomer en de striemende sneeuwstormen in de winter. Roemeense gebitten behoren toch al niet tot de meest verzorgde van Europa, maar de monden van de moeras-bewoners zijn wel erg leeg: er is geen geld en de dichtstbijzijnde tandarts is twee dagreizen ver weg.

Tussen de Mures en een passerende vrachtvaarder uit Malta door, roeien inwoners van Tudor Vladimirescu heen en weer tussen de stad en hun armzalige dorp aan de overkant van het kanaal. De schoorstenen van de staalfabrieken braken zwart-bruine rook uit, die langzaam over de Donau wegtrekt.

Sfîntu Gheorghe heeft geen hotel, maar aan boord van de Mures biedt de 19-jarige Luci Sevastian alvast onderdak aan, bij zijn ouders. Hij wijst naar een groengeverfde uitkijkpost op een stalen constructie. “Van de eco-politie. Die controleren ons.” Honderdtien eco-politiemannen zijn er, door het Wereld Natuur Fonds opgeleid om de vijfentwintig verschillende en ongeëvenaarde ecosystemen van de delta te beschermen. “Zie je dat meer in de verte? Dat is verboden gebied.” Niet dat de moerasbewoners daar niet vissen. “We hebben vis gegeten, we eten vis en we zullen vis eten”, zegt Luci gedecideerd.

Af en toe legt het schip aan bij een houten vlonder: de levensader van een achter het riet verscholen nederzetting. Herhaaldelijk liggen de wortels van de rode wilgen aan de oevers bloot; de grond komt en gaat. Aan boord wordt het intussen luidruchtiger, iedereen lijkt elkaar te kennen. Naarmate de reis vordert, bewegen steeds meer mannen zich wankelend voort. Op het voordek legen drie van hen een plastic emmer met zelfgestookte wodka, door glas na glas in één teug achterover te slaan.

Als de Mures in Sfîntu Gheorghe aanlegt, loopt het halve dorp uit. De meeste huizen in het plaatsje zijn gemaakt van leem, stro en hout, maar voor de bouw van de oude kerk zijn bakstenen gebruikt. “Afkomstig van een schip dat hier ooit aan de grond is gelopen”, weet Luci. De straten van Sfîntu Gheorghe zijn onverhard, net als overal in de delta. Een man te paard stuift in volle galop voorbij, gevolgd door een stel blaffende honden. De modder spat op. Er zijn twee winkels, beide van de staat, de ene heet 'Levensmiddelenwinkel' en de ander 'Confectie', op het raam hangt de mededeling 'Wij hebben spijkers'. De voertaal in Sfîntu Gheorghe is Oekraïens, hoewel de meeste inwoners Roemeens zijn. “Maar de Oekraïners hebben het dorp gesticht, dus is Oekraïens de taal”, zegt Luci.

Drie cafés zijn er: een voor de oude mannen, een voor oudere jongeren en een voor de jeugd. Voor het oude-mannen café staan tafeltjes onder de bomen. Er wordt stevig gedronken, sommigen dragen alleen een t-shirt, ondanks de kou. “En toen deed mijn boot het niet, ik gooide er benzine in van 98 octaan en die was als melk”, klinkt het achter ons. De rest van het verhaal gaat verloren in luide Griekse muziek.

Luci's moeder Valentina herbergt wel vaker gasten, het kost tien gulden per persoon, inclusief de dagelijkse maaltijden: gebakken vis met brood en tomaat als ontbijt, gekookte vis en vissoep voor de lunch en gekookte vis met brood en tomaat als diner. Om je te wassen is er een vijf-litertank met tapkraan, het water loopt weg in een emaillen teil op een krukje.

Luci's vader is zes dagen per week op de zee, hij werkt bij het staats-visbedrijf. Zijn grootvader was een gevluchte Tataar, zijn overgrootvader een Oekraïense wees. Die was pas zeven jaar oud, toen hij na een wekenlange voettocht de delta wist te bereiken, samen met zijn twee broertjes. Ook Valentina's eigen voorouders komen 'van ver', vertelt ze, terwijl ze met vis gevulde aubergines inmaakt in de buitenkeuken.

“We hebben het nu niet slecht”, meent Valentina. Vroeger was dat anders. “Maar echte armoede is iets wat niemand zich wil herinneren.” Luci is het niet met zijn moeder eens. “De mensen van de delta zien als eersten de zonsopgang, maar als laatsten de rechtvaardigheid.” Veel jongeren trekken weg. In Sfîntu Gheorghe is alleen een lagere school.

's Avonds gaat Luci naar het jongerencafé. Er is chocola uit de Verenigde Arabische Emiraten te koop en bier uit Tulcea. De surrogaat Nescafé is bereid met spuitwater, drinkwater is er maar een paar uur per dag. De meeste inwoners van de delta zijn gewend om zo uit de Donau te drinken. Met alle gevolgen vandien, in 1987, 1990 en 1993 brak er een cholera-epidemie in de delta uit. 's Zomers wordt het gebied geteisterd door muggenzwermen, sporadisch komt er malaria voor.

Zelfs hier, aan het einde van Europa, lijken de jongeren op jongeren. Ze dragen sportschoenen en jeans, en nu twee jaar geleden het elektriciteitsnet in bedrijf werd gesteld, luisteren ze naar acid-house. Aan de overkant is zelfs een disco: een kaal lokaal van waaruit de hele avond popmuziek door de straat schalt. Het enige verschil met elders is de zaklantaarn op tafel, na zonsondergang is Sfîntu Gheorghe vrijwel pikdonker.

Luci heeft de dag daarop een kater. De vorige avond heeft hij naar eigen zeggen “flink gezopen” en hij is dorstig. Een fles mineraalwater slaat hij af, hij prefereert een slok uit de Donau. Onverstoorbaar roeit hij door een wirwar van sloten en zijkanaaltjes. Eerst passeert hij de Hongerige Sloot. Even verder, daar waar De Middelste Sloot en De Turkse sloot samenkomen, begint een van de achttien Strictly Protected Areas, verboden terrein voor wie dan ook. Om deze gebieden heen liggen bufferzones, waar visvangst en jacht op beperkte schaal zijn toegestaan.

Luci lacht en werpt nieuwsgierig een blik op de kaart. “Bufferzones? Nooit van gehoord.” Een kaart heeft hij niet nodig. “We zijn op driekwart”, zegt hij. “Hoe ik dat weet? Dat zie ik aan de bomen; wij denken niet in kilometers, maar in bomen. De ouderen kunnen nog aan de sterren zien hoe laat het is. En aan de zonsondergang en de wolken wat voor weer het morgen zal zijn.”

Links en rechts, voor en achter, overal vliegen vogels op: futen, kraanvogels, wulpen, blauwe reigers, woudaapjes. De vijfenveertigste breedtegraad loopt dwars door de delta, die zich precies halverwege de noordpool en de evenaar bevindt en daarmee op een kruispunt van vijf belangrijke vogeltrekroutes.

Voor zover bekend herbergt de delta ruim 300 verschillende soorten vogels, waaronder witte en kroeskoppelikanen, negentig procent van alle roodnekganzen ter wereld, zwarte ibissen en dwergaalscholvers. Er zijn 2224 insectensoorten geteld, waarvan dertien nergens anders ter wereld voorkomen, 411 soorten wormen, 64 soorten vis, 16 soorten reptielen en 70 soorten schelpen en slakken. In de delta bevindt zich het grootste aaneengesloten rietgebied van Europa en er komen 1150 soorten planten voor. Acht soorten kikkers zijn er en 34 soorten zoogdieren, waaronder wilde katten, hermelijnen, dassen, vossen, otters, beren, wolven en de uiterst zeldzame, nergens anders voorkomende wasbeerhonden.

Zo op het oog is er weinig van te merken, maar uit biologisch onderzoek blijkt dat het met het ecologische evenwicht in de delta dramatisch slecht is gesteld. Talrijke vogelsoorten staan op het punt te verdwijnen. Vier soorten steur, de snoek en de zeelt komen inmiddels in de delta al praktisch niet meer voor.

De Donau, die in het Duitse Donaueschingen uit twee samenvloeiende beken ontstaat, is na de Wolga de langste rivier van Europa en stroomt door Duitsland, Oostenrijk, Hongarije, Slowakije, Kroatië, Servië, Bulgarije, Roemenië, Moldavië en de Oekraïne. Jaarlijks voert de rivier 203 kubieke kilometer water naar de Zwarte Zee, dat is meer dan dat van alle in de Noordzee uitmondende rivieren samen. Dat betekent ook dat de Donau het afval van tien landen 2860 kilometer met zich mee sleept, waaronder vijftigduizend ton verspilde olie per jaar; het fosfaatgehalte van de rivier is 21 keer zo hoog als vijftien jaar geleden.

Tijdens 35 jaar communisme werden uitgestrekte rietbeddingen verwoest doordat 's zomers het waterpeil kunstmatig hoog werd gehouden en door het gebruik van zware landbouwmachines in de winter. De aanleg van tientallen kanalen en dijken leidde tot de ernstige beschadiging van talrijke ecosystemen.

Conducator Nicolae Ceausescu had een visioen van de Donau-delta voor ogen, waarin produktie centraal stond: moerassen moesten worden drooggemalen om ruimte te scheppen voor grootschalige landbouw en veeteelt. Zo verdween een vijfde deel van de moerassen. Tot 1986 rukten arbeidersbrigades met landbouwmachines uit om dagelijks driehonderd ton riet te snijden en te bundelen, bestemd voor de cellulose-industrie.

Nog altijd zijn de plannen om de delta te ontwikkelen niet geheel van de baan. Zo willen Roemeense economen Sfîntu Gheorghe en Sulina door een asfaltweg verbinden met de zuidelijk van de delta gelegen havenstad Constanta, iets waar ecologen en deltabewoners niets van willen weten. Want zoals de Roemeense literatuurhistoricus Nicolae Iorga het een eeuw geleden formuleerde: “Moderne luxe voedt zich met de wezenlijke kracht van natuur en mensheid, lappen stof en schroot achter zich latend, evenals de voor altijd verwarde menselijke ziel.”

Luci nadert de Zwarte Zee. Af en toe groet hij passerende vissers in roeiboten, waarvan sommige zijn voorzien van een soort geblokt taffellaken aan een stok, die met de hand wordt vastgehouden. Een eeuwenoude techniek, uit historisch onderzoek blijkt dat de vierkante delta-zeilen identiek zijn aan die van de Oude Grieken.

Met deze wankele bootjes begeven de vissers zich ook op open zee. Vooral in het voorjaar - tijdens het haringseizoen - kan er plotseling een storm opsteken. “Je moet dan eigenlijk meteen je netten doorsnijden en maken dat je wegkomt”, zegt Luci. “Maar netten zijn duur en we proberen ze meestal toch nog binnen te halen.” Van de zomer nog verdronken een vader en dochter uit Sfîntu Gheorghe, vorig jaar liet een vriend van Luci het leven, toen hij op zijn roeiboot werd getroffen door de bliksem. “De zee vraagt om mensen.”

Bijna drie uur is Luci nu onderweg. Hij wil doorgaan tot aan het visstation van zijn vader, een paar kilometer uit de kust, maar de daarvoor benodigde zes uur roeien lijkt zijn passagiers wat al te ver. “Mij doet dat niks”, zegt Luci, “ik ben het gewend.” Nu roeit hij naar het schiereiland Sacalin, met aan de noordkant een maagdelijk Zwarte Zee-strand. Vroeger was dit een hele serie eilandjes. Luci herinnert zich nog dat het eiland uit twee delen bestond: Groot- en Klein-Sacalin, sinds twee jaar zijn ze aan elkaar vastgegroeid. Sacalin zelf verplaatst zich ook, in westelijke richting.

Als er een kolonie van tientallen witte pelikanen komt aangevlogen, laat Luci zijn bootje langzaam in hun richting drijven, maar zodra hij een roeispaan beweegt, vliegen ze weg.

Tijdens het bewind van de Grote Leider werden nog boten vol afgevaardigden van buitenlandse delegaties of fabrieksarbeiders op dagexcursies de delta ingevoerd, waarbij de meest armoedige dorpen werden vermeden. Onder het motto 'Come as a tourist, leave as a friend' is de delta voor iedere avonturier een 'must', “zeker nu Roemenië weer tot mainstream Europa behoort”, aldus een recent foldertje van het ministerie van toerisme. Toch is juist na de revolutie in 1989 het toerisme naar de delta afgenomen. In 1993 bezochten ongeveer zevenduizend buitenlanders het moeras, vooral vogelliefhebbers.

De Roemeense overheid en de talrijke internationale organisaties die geld pompen in het beheer van de delta - Wereldbank, Europese Unie -, zien eco-toerisme inmiddels als de sleutel voor de toekomst. De Nederlander Mark de Vries, student aan de Landbouwuniversiteit Wageningen, probeert vanuit Tulcea een agro- en eco-toerismeproject van de grond te krijgen. Zijn bedoeling is kanoroutes uit te zetten, waarbij de deltabewoners door hen zelf gebouwde kano's verhuren en toeristen onderdak verschaffen.

Het probleem is volgens hem dat de moerasbewoners “absoluut geen vertrouwen” in de overheid hebben en dat de Roemeense staat ook niet echt van het idee is geporteerd, “omdat ze er dan zelf niets aan overhouden”. Het plan voor het bouwen van kano's slaat nog niet aan. “We hebben toch boten?”, krijgt De Vries te horen. En het wil er bij de bewoners niet in dat de techniek waarmee ze in hun oeroude deltaboten met gekruiste armen vooruit roeien voor buitenstaanders onnavolgbaar is.

Tussen Sfîntu Gheorghe en Sulina bestaat geen vaste bootverbinding. De twee plaatsen liggen hemelsbreed niet ver van elkaar verwijderd, maar de bevolking is vooral geïnteresseerd in contact met Tulcea. Het plan om binnendoor naar Sulina te varen wekt enige verbazing, maar Luci's neef Aurel - in Sfîntu Gheorghe is iedereen elkaars neef - is tegen betaling bereid de tocht met zijn zelfgebouwde motorsloep te maken.

Op het laatste moment begeeft zich nog een Roemeense ornitholoog aan boord, vergezeld door een Amerikaan en twee Duitse toeristen. Op weg naar Sulina verkeert de bebaarde Roemeense vogelkenner in een staat van uiterste opwinding. Op zijn schoot heeft hij diverse gidsen, waarin hij de namen van de vogels die hij ontwaart, onmiddellijk in het Duits, Engels en Nederlands weet terug te vinden, voor zover hij die al niet uit het hoofd kent. Voortdurend richt hij zijn verrekijker op ijsvogels, het visdiefjes, de reuzensternen en roodpootvalken.

Ondertussen stuurt schipper Aurel Ilie zijn ronkende boot door het labyrint, van Het Tartarenkanaal via het Kleine Rode Meer richting Stinkende Sloot. Ilie is een volbloed Oekraïner. “Mijn grootvader - een analfabeet die tien talen sprak - was zeeman en die is hier blijven hangen omdat hij een oogje had op mijn grootmoeder. Maar de meesten kwamen, omdat ze op de vlucht waren: Turken, Grieken, Bulgaren en Oekraïners. De één vestigde zich op een zandbank hier, de ander op een zandbank daar, en zo is Sfîntu Gheorghe ontstaan.”

Ilie is visser bij het staatsbedrijf en dat levert nauwelijks genoeg op om rond te komen. Zwart vissen wordt hem door de eco-politie steeds moeilijker gemaakt. “In plaats van dat ze zich voor de ecologie inzetten, nemen ze ons vistuig in beslag.” Ilie's vrouw komt 'van het land'. Of dat verschil maakt? “Moerasmensen zijn anders. Die van daarboven denken op een hoger niveau. We zijn hier weliswaar allemaal naar school geweest, we kunnen lezen en schrijven, optellen en aftrekken, maar daar is het bij gebleven.”

Aan het kaarsrechte Smerige Kanaal lijkt geen eind te komen. Achter het riet liggen wetlands die alleen per helicopter zijn te bereiken. Plotseling doemen in de verte de contouren van hijskranen op: Sulina. De stad wordt doorsneden door een in de vorige eeuw uitgebaggerd en verbreed kanaal. Ilie legt aan bij de kade, de enige verharde weg in de hele delta.

Sulina is een gat. De Laan van de Jeugd is een doodlopend modderpad, de Eerste Straat, de Tweede Straat, de Derde Straat, de Straat van de Republiek: het zijn niet meer dan karresporen. Toch kan Sulina een stadse allure niet worden ontzegd, met de passerende vrachtvaarders op weg van Istanbul naar Tulcea, de boulevard met zijn terrasjes en de gebouwen die, zij het in staat van verval, nog altijd een zekere grandeur uitstralen. Maar in één opzicht wijkt Sulina af van alle andere steden in Europa: er is geen gemotoriseerd verkeer, er is zelfs nog nooit een auto gewéést. In principe zou het mogelijk zijn die met de ferry aan te voeren, maar wat moet je ermee? Van alle kanten is Sulina omringd door moeras en water.

Hotel Sulina is een in de beste architectonische tradities van het socialisme opgetrokken betonkolos. Een bordje aan de balie waarschuwt dat het “ten strengste is verboden op de kamers ingewanden van vis schoon te maken en te verwijderen, of vis te bereiden”. De receptie is verlaten. Alle deuren van het hotel staan open, maar nergens - niet in de dinerzaal, niet in de keuken -, is een mens te bekennen. Uiteindelijk komt de receptioniste opdagen. Aan haar ogen te zien was ze in slaap gevallen - er waren toch geen gasten. Er is stromend water, maar alleen koud. Een diner behoort tot de mogelijkheden, maar dat moet dan wel snel gebeuren, want de gasfles is bijna op. Het vlees en de vis zijn “tot onze spijt bevroren”, en de pils is lauw, omdat de ijskast is uitgezet “ter besparing op de stroomkosten”.

Niet ver van het hotel, aan de kade, staat een groot bord waarop de voordelen van de vrijhaven Sulina worden aangeprezen: “Vrijstelling van douane-, consumptie-, winst- en kanaalbelasting zonder tijdslimiet, evenals van btw”, en dat in een haven die “een volledig scala van diensten biedt op het gebied van stouwen, overslag, opslag en sleepassistentie”. Maar hoewel volgens hetzelfde bord de haven van Sulina nog in 1993 te Madrid is onderscheiden met de Grand Prix International to the Quality heeft dat alles niet mogen baten: de rol van Sulina als vrijhaven is al vele decennia uitgespeeld, het kanaal is versmeerd en is een openluchtmuseum van roestende oorlogsschepen, aan elkaar vastgeketende half weggerotte scheepswrakken en werkeloze scheepskranen.

Zeker, de visconservenfabriek is nog in vol bedrijf, in de disco serveert men 'European drinks' en in de kiosk is de Paris Match te koop, zij het die van november 1995. Maar de bioscoop is gesloten en de houten Turkse huizen verkeren in staat van verval. De straatlampen op de weg naar de haven hebben geen peertjes meer, de elektricteitsdraden bungelen op de grond, overal liggen karkassen van schepen.

Sulina beleefde in economisch en cultureel opzicht zijn bloeiperiode tussen 1856 en 1940. Vanaf 1856 - na afloop van de Krim-oorlog - behoorde Sulina tot het Ottomaanse Rijk en daarmee werd het een belangrijke schakel voor de scheepvaart tussen Turkije en Europa. Onder regie van de Europese Donau Commissie werd het Sulina-kanaal van 1862 tot 1906 uitgebaggerd en verbreed, zodat grote zeeschepen dwars door de delta naar de Zwarte Zee konden varen. Duizenden emigranten - Turken, Grieken, Russen, Oekraïners en Duitsers - vonden er emplooi.

Maar voor moderne schepen bleek het kanaal niet diep genoeg en 's winters belemmerden ijsschotsen regelmatig de doorvaart. De neergang begon al met de ineenstorting van het Ottomaanse Rijk en de ontwikkeling van het Europese spoorwegnet. De voltooiïng onder Ceausescu van het in de zuidelijker gelegen havenstad Constanta uitmondende Donau-Zwarte Zee-kanaal, gaf de vrijhaven de doodsklap.

Het veelzijdige verleden van Sulina, waarover in de jaren twintig de in Roemenië beroemde roman Europolis verscheen, is terug te vinden op het kerkhof. Daar is het graf van prinses Ecatarina Moruzi, nicht van de vorst van Moldavië, en er zijn joden begraven, Turkse moslims, orthodoxe Roemenen en Grieken, katholieke Italianen en Duitsers, protestanten, Lipovenen, Oekraïners. Tussen de graven grazen koeien. De Britse Isabella Jane Robinson, aldus een grafschrift, verdronk op 28-jarige leeftijd in het Sulina-kanaal “na een aanvaring”, Thomas Bullen van het stoomschip Consent “stierf plotseling op open zee tussen Constantinopel en Sulina”, stoker Peter Crecor overleed “als gevolg van het klimaat” en een hele lijst Britten bezweek aan de cholera-epidemie van 1865.

Het Lipoveense 'Kerkhof Sulina van de Oude Rite' is eenvoudiger dan het Roemeens-orthodoxe. De graven liggen er dichter op elkaar en zijn slechts gemarkeerd met houten, drie-armige Russische kruisen. Waarom deze gevluchte Russen Lipovenen heten, is onduidelijk. Volgens sommige historici hebben ze hun naam te danken aan het Russische woord lipa (linde), naar de bossen waar ze zich eeuwen geleden schuil hielden. Zeker is dat hun vervolging in 1666 begon, toen ze met andere Raskolniki (scheurmakers) in de ban werden gedaan, omdat ze de hervormingen van de Moskouse patriarch Nikon weigerden te accepteren. Zo bleven ze vasthouden aan de oude Byzantijnse liturgische vormen en aan de Juliaanse in plaats van de Gregoriaanse kalender. Een belangrijk twistpunt vormde ook het slaan van het kruis: volgens de oude rite moet dat met twee vingers, volgens de nieuwe met drie.

Na de verbranding van hun leider weken de afvallige Lipovenen uit naar de grensgebieden van het Russische Rijk. Als ze door regeringstroepen gevonden werden, staken ze zichzelf liever in brand dan zich over te geven aan 'de dienaren van de antichrist'. Duizenden van hen - onder wie ook Oekraïners van de oude rite - vluchtten de Donau-delta in. Daar hebben ze sindsdien in totale afzondering geleefd. Nog steeds spreken ze 17de eeuws Russisch.

Sava Danilov, de Lipoveense priester van Sulina, is blootsvoets en gehuld in een besmeurd en gescheurd hemd. “Ik heb net iemand geholpen met hooien.” In zijn woning toont hij trots het 350 jaar oude boek waaruit hij de liturgie in het oud kerk-Slavisch opdraagt. Bang dat de Lipoveense gemeenschap in de delta zal uitsterven, is hij niet. “Tot op de dag van vandaag volgen wij de oude riten, en dat zal altijd zo blijven.”

Eerst het schroot, dan een verlaten scheepswerf en de laatste hijskranen. Daarna wijst niets meer op sporen van menselijke aanwezigheid. Zwijgend stuurt de visser zijn boot door de zich tot in het oneindige vertakkende sloten, totdat een kerkkoepel opdoemt en hij even later ergens tussen de wuivende riethalmen aanlegt. “Sfistofca.”

Het is doodstil. Het dorp, waar uitsluitend Lipovenen wonen, bestaat uit gras, zand en modder, met hier en daar een uit leem, hout en plaatijzer opgetrokken huis. Veel elektriciteitspalen zijn getooid met ooievaarsnesten. Sfistofca heeft geen straten, het verkeer bestaat uit ossewagens en handkarren. Een vrouw verwijst de bezoekers naar het echtpaar Jigarov. “Dat zijn rijke mensen, daar kunnen jullie vast wel terecht.” De dorpsgek volgt schreeuwend, hij stinkt naar drank en zweet. Ana Jigarov toont de gastenkamer, aan de muur hangen ikonen en ingelijste ansichtkaarten van vrouwen die als je er van opzij naar kijkt opeens een knipoog geven en blote borsten hebben.

Ana is net met haar man Vasili aan het eten. “Schuif aan”, zegt Vasili. Hij neemt nog een hap en overhandigt zijn vork. Met die ene vork schuift iedereen om beurten wat aardappels uit de bak naar binnen. Vormt in Sfîntu Gheorghe vis de hoofdmaaltijd, in Sfistofca staat voor de meeste inwoners drie keer per dag aardappels met brood op het menu. “Ik ben mijn hele leven visser geweest”, zegt Vasili. “Nu ben ik 77 jaar en ik heb niet eens meer geld om fuiken te kopen. Hier is alleen maar moeras, het is net een gevangenis.” Het echtpaar leeft van de verkoop van wodka en ze hebben kippen en een paar koeien. Ana kookt op een fornuis dat brandt op riet. Stromend water is er niet: Vasili ziet er ongewassen uit, eens per week duikt hij ter reiniging in het kanaal.

Tijdens Ceausescu waren de dorpelingen beter af, meent de oude Lipoveen. “We kregen stroom en af en toe kwam er een raketboot uit Sulina.” Maar de boot is al jarenlang niet meer gesignaleerd, benzine voor een motorsloep onbetaalbaar. Wie naar Sulina wil, roeit over het kanaal of loopt kilometers door de moerassen en de bossen. Van oudsher is Sfistofca tijdens de lange, strenge winters bijna geheel van de buitenwereld afgesneden, en alleen schaatsend of per slede te bereiken.

Vasili wil een kaars aansteken in de kerk. Hij is aangeschoten, maar toont zich buitengewoon eerbiedig en devoot als hij de kerk betreedt. “Koop ook een kaars”, fluistert hij, “dat is voor de ziel.” Nu de priester is verdwenen leidt een leek de dienst. De belangstelling houdt niet over: enkele bejaarden en twee moeders met kinderen. De koster wijt dat aan de afwezigheid van de priester, die volgens hem Sfistofca heeft verlaten omdat de vrouw van de priester alleen nog aan haar huwelijkse verplichtingen wilde voldoen tegen betaling van 100.000 lei (vijftig gulden, ongeveer een maandinkomen) per keer.

Weer buiten beklemtoont Vasili dat de koster niet te vertrouwen is. “Want hij koopt de kaarsen voor 15 lei van de zigeuners en hij verkoopt ze weer aan de kerk voor 200 het stuk. De winst houdt hij zelf.” Andere inwoners zeggen dat de priester verjaagd is door zijn vrouw, sommigen beweren dat hij een oplichter was, die een gouden kelk zou hebben gestolen en door Lipovenen uit Alaska geschonken donaties in eigen zak stak. Eerder had de Lipoveense priester van Sulina zich niet erg spraakzaam getoond over het vertrek van zijn collega uit Sfistofca. “Ik kan er niets over zeggen. Wat zich daar heeft afgespeeld, is nog nooit ergens gebeurd zolang de hemel en de aarde bestaan. Nee, die man is geen priester meer, God behoede hem.” Daarna had hij langdurig gezwegen, alvorens zijn blik op de icoon aan de muur te werpen en een kruis te slaan.

Het bezoek van vreemdelingen trekt in Sfistofca veel aandacht. “Namens wie zijn die mensen hier?”, vraagt iemand. “Het zijn particulieren”, antwoordt een ander. Het bejaarde echtpaar Halchin ruikt naar sterke drank. De man draagt een gerafeld vest vol gaten. Beiden hebben een open zweer: hij aan zijn oor, zijn vrouw aan het oog. Ter ere van het bezoek schakelt het echtpaar over van 17de eeuws Russisch op Roemeens, zij het met enige moeite en een zwaar accent. “Ik heb mijn vijf kinderen grootgebracht met niets anders dan bieten”, zegt de vrouw. “In 1947 was er hongersnood. Nu hebben we het wat beter, God zij geloofd.”

Al haar kinderen zijn uit de delta weggetrokken, op één dochter na, die al gauw nieuwsgierig aan komt lopen. “Als je 's winters ziek wordt, ga je gewoon dood”, zegt ze. “Er komt hier geen ziekenauto, geen dokter, niets. Wie trouwt, gaat weg. Vanaf mijn geboorte heb ik altijd gezegd: degene die dit dorp heeft gesticht, was niet goed bij zijn hoofd.” Over hun voorouders weten ze weinig. “We komen uit de zeventiende eeuw”, zegt de man. “En we komen van verre.”

Sfistovca ligt op droog land, tussen de moerassen in. Dit gebied leent zich voor veeteelt en akkerbouw, die op bescheiden schaal en vrijwel uitsluitend met de hand wordt bedreven. Op loopafstand bevinden zich nog twee, al even geïsoleerde nederzettingen. C.A. Rosetti is het enige geheel Roemeense dorp in de delta. Er hangt nog een foto van een met name genoemde dorpsbewoner “die wegens zijn anti-sociaal gedrag langdurig zal worden opgesloten”. Zes kilometer verderop ligt Letea, toevluchtsoord voor Kahol ('ketterse' Oekraïners), evenals de Lipovenen 'mensen van de oude rite' die eeuwen geleden uit angst voor vervolging naar het moeras zijn gevlucht.

In de wildernis tussen de twee dorpen in zijn zelfs geen karresporen. Een oude vrouw sjokt voorbij met een theepot en een emmertje, een ander sluit schielings het hek van haar erf. Roerloos staart ze de vreemdelingen na. In Letea komt het enige teken van leven uit café Borstel BV, waar mannen in overalls glazig voor zich uitkijken.

Buiten vraagt een 86-jarige Oekraïner om een sigaret. Aandachtig bekijkt hij de wegwerpaansteker. “Zo een heb ik er ook. Maar die doet het niet meer.” Lipovenen stelen, meldt de man. Roemenen trouwens ook, en zeker de zigeuners die bij hem aan de overkant wonen. Zelfs zijn eigen kleinkinderen stelen. “Hoe dat komt, weet alleen Hij van boven.” Een jonge man waggelt voorbij. “Wat die ouwe zegt is allemaal onzin”, roept hij. Maar Grigori Hantsjarenko laat niet met zich spotten. “Rot op jij! Je hebt gezopen, bemoei je met je eigen zaken.”

Het leven in het moeras heeft geen toekomst, zegt Hantsjarenko. “Tijdens Ceausescu was het ook al slecht, maar toen kreeg je tenminste op school nog een dreun voor je kop als je iks deed. Nu leren ze alleen nog maar hoe ze de wijven kunnen pakken, vergeef me de uitdrukking.” De revolutie heeft Letea niets opgeleverd. “De een zei dit, de ander dat, maar uiteindelijk bleef alles bij het oude. Wel kwamen hier mannen van het land, die grepen de mooie meiden bij d'r konten en namen ze mee, en de lelijke lieten ze achter.”

Bij het vallen van de avond in Sfistofca is Eremie Haltin op weg naar de dorpswinkel. “Ze verkopen daar wodka - God zij geprezen -, maar geen koffie. Die moet je van tevoren bestellen.” De lucht betrekt, het weer slaat om. Boeren drijven haastig hun ossen voort, de deur van het openbare schijthuis kleppert in de aanwakkerende wind. Bij het passeren van de kerk slaat Haltin een kruis. Hij wijst op de klok. “Die weegt ruim 3000 kilo en is in 1818 hier aangekomen, vanuit Moskou.”

Van zijn grootvader weet Haltin dat vijf Lipoveense gezinnen Sfistofca hebben gesticht. “Ze vreesden God en ze kregen allemaal een stuk of twaalf kinderen. Ze hadden gouden munten bij zich van de grote tsaar.” De ouderen hanteerden nog bezweringsformules uit het Zwarte Boek, zegt hij. “Wie ze vervloekten, ving geen vis meer. Ze konden ook ankers laten drijven.” Toen lag Sfistofca nog aan zee. “Maar het is allemaal dichtgeslibt. Zo werd het dorp steeds groter.” Haltin denkt dat er in het jaar 2000 een grote aardbeving zal plaatsvinden. “Dat hebben de ouderen voorspeld. Er zal daarna nog steeds leven bestaan, maar alles zal anders zijn en de mensen zullen God meer vrezen dan ooit.”

Als het donker is zetten Vasili en Ana Jigarov de wodka op tafel. Iedereen drinkt uit hetzelfde glas, Ana neemt slokjes en Vasili teugen. De wodka stookt hij zelf en voortdurend komen er dorpelingen langs om een litertje van hem te kopen. De meesten kunnen dat eigenlijk niet betalen en drinken de medicinale spiritus uit de dorpswinkel (negentig procent alcohol, aan te lengen met water), maar die is al geruime tijd uitverkocht.

Twee keer in zijn leven verliet Vasili de delta, en iedere avond vertelt hij daarover. Opnieuw begint hij over het bombardement op Boekarest in 1942, dat hij als soldaat meemaakte. “Laat die mensen toch”, roept Ana. Maar Vasili gaat verder, nu over zijn ervaringen als zeeman in de jaren zeventig. Vier jaar voer hij rond, want hij had gehoord dat je zo naar Amerika kon en dan gratis met je vrouw mocht bellen. Niet dat Sfistofca telefoon heeft, maar toch. Het werd Denemarken. “In Kopenhagen heeft de koningin parket laten leggen vanaf haar paleis tot aan de zee, want daar gaat ze dagelijks wandelen.”

Dan komt er weer een vrouw uit het dorp langs. Wanhopig klampt ze zich aan de vreemde bezoekers vast. Haar man is blind, zegt ze. Van zijn pensioen van drie tientjes kunnen ze niet rondkomen. En als er niets gebeurt, zal ze dood gaan van de honger. “Nooit komt er hier iemand. We zijn totaal vergeten.” Ana vult haar lege bierfles met wodka.