NOBELPRIJS

Naar aanleiding van de toekenning van de Nobelprijs voor natuurkunde deze week aan Osheroff, Richardson en Lee een enkele herinnering. Er bestond al in de jaren vijftig een vermoeden dat het lichte He-3 een superfluïde faseovergang zou vertonen zoals die ook in het zwaardere 'gewone' helium, He-4, bestaat.

In 1958 was ik als post-doc in Illinois om bij John Wheatley onderzoek te doen aan kernmagnetisme. Nogal plotseling ging hij onder invloed van de gezaghebbende theoreticus Bardeen (ook Illinois, een van de opstellers van de theorie van de supergeleiding) zijn ultra-lagetemperatuur ervaring voor een groot deel concentreren op He-3, dat in de VS makkelijker te verkrijgen was dan elders.

Het gevolg was een stroom van publicaties, die bevestigden dat He-3 de frappante eigenschappen heeft van een Fermi-vloeistof, zo genoemd naar de statistiek waaraan de He-3 atomen gehoorzamen. Geluidsgolven en warmtetransport bijvoorbeeld leverden schitterende resultaten. Ook anderen wierpen zich op dit onderwerp en zo werden enkele jaren later door Lounasmaa in Helsinki koelmethoden ontwikkeld om He-3 verder te kunnen afkoelen. Peshkov (Moskou) kwam in 1965 met de nogal omstreden aankondiging van een faseovergang in He-3, en later bleek ook dat de werkelijke overgangstemperatuur veel lager lag. Ook Bardeen kon niet voorspellen bij welke temperatuur de superfluïditeit zou optreden.

John Wheatley, die redelijk wat zelfkritiek op zijn eigen meetresultaten uitoefende, slaagde er ondanks verwoede pogingen niet in vast te stellen dat er een faseovergang optrad. Het was tijdens de tweede zomerschool voor lagetemperaturen van de EPS (European Physical Society) in 1972 in de Vogezen dat Lee en Richardson met meetresultaten kwamen die men kon beschouwen als een aanwijzing voor een faseovergang. Het was een belangrijk gegeven, maar leidde toen niet onmiddellijk tot euforie over een doorbraak. Ik kan me niet herinneren Osheroff daar gezien te hebben, misschien moest hij als student 'gewoon' doormeten.

Geleidelijk aan werd daarna duidelijk dat He-3 werkelijk superfluïde is en in die toestand vele bijzondere en interessante eigenschappen heeft, die slechts moeizaam experimenteel konden worden ontdekt. Ik zal niet de verdere ontwikkelingen hier proberen te schetsen, ik ben er slechts zijdelings bij betrokken geweest. Maar het voorgaande is bedoeld als inleiding op de opmerking dat de Nobelprijs voor de ontdekking van de superfluïditeit lange tijd niet kon worden toegekend omdat er maximaal 3 personen in de prijs kunnen deelnemen en het Cornell-team, met Wheatley als één van de prijswinnaars, nu eenmaal moeilijk op te splitsen zou zijn geweest.

In het begin van de jaren tachtig vernam ik van Lounasmaa, die goede contacten in Zweden had, dat men niet om Wheatley heen kon als er een prijs toegekend zou worden. Men mag aannemen dat het daarom tot bijna tien jaar na het overlijden van Wheatley heeft geduurd voordat deze ontdekking kon worden gehonoreerd. Bovendien mag niet uit het oog verloren worden dat het besef van de betekenis van de ontdekking geleidelijk is gegroeid. Zelfs de astronomie wordt er nu bij betrokken.