Mishandeling

Helaas, het zullen wel o.a. de gebeurtenissen in België zijn, die de aanleiding vormen voor het artikel 'Bij een vuist past geen fluwelen handschoen' (Z 5 okt.) Vooropgesteld zij van mijn kant, dat ik zeer gelukkig ben met de mogelijkheden, die deze bureaus bieden aan eenieder, die zich het lot van eigen danwel andermans kinderen aantrekt, om hulp te vragen en te krijgen.

De nieuwe aanpak zal - ook naar mijn mening - waarschijnlijk de in vele gevallen gewenste snelheid van handelen kunnen bewerkstelligen.

Echter, het - ook voor mij onmiskenbare - feit, dat kinderen zich niet kunnen verdedigen tegen één of beide ouders, voogden of opvoeders, mag voor de professionele hulpverlener geen argument zijn dan maar die taak over te nemen. De hulpverlener mag niet degene zijn die bepaalt wat dient te geschieden ten aanzien van het kind.

Een voorstel (het verband met de wetsvoorstellen betreffende echtscheiding is uiteraard evident):

De wet biedt de mogelijkheid in te grijpen, indien een kind met zedelijke en lichamelijke ondergang wordt bedreigd. Deze juridische formulering is een handvat voor de rechter om al of niet maatregelen te nemen. In mijn werkstuk 'Persoonsbescherming en kinderbescherming, een problematische verhouding' (uitg. Wetenschapswinkel Rechten, Utrecht) kom ik tot de conclusie, dat de huidige wetgeving en jurisprudentie aan de raad, de gezinsvoogd en hulpverleningsinstellingen, de macht geven om vrijwel ongecontroleerd te rapporteren en te adviseren. Bovendien bieden ze de rechter de mogelijkheid om vrijwel ongemotiveerd beslissingen te nemen, die zeer ingrijpende gevolgen hebben voor de persoonlijke levenssfeer.

Naar mijn mening voldoet de rapportage vanuit de kinderbescherming (de raad, de gezinsvoogd of hulpverleningsinstellingen) veelal niet aan de volgende kwaliteitseisen: - het geven van een feitelijk beeld van de omstandigheden waarin de minderjarigen hebben geleefd; - het juist vertolken van de opvattingen en meningen over deze omstandigheden van de minderjarigen zelf en van degenen die voor hen van belang zijn. Noch in de wet noch in de raadsregeling worden deze, soortgelijke, of welke eisen dan ook genoemd. De rechter kan zijn motivering beperken tot het verwijzen naar het rapport en advies, die hem ter beschikking zijn gesteld, en/of naar het verhoor dat ter zitting heeft plaatsgevonden. Van de terechtzittingen wordt kwalitatief en kwantitatief zeer onvoldoende verslag gedaan.

Om nu de kwaliteit van het onderzoek en van de kinderrechterlijke beslissing te verhogen, en de duidelijkheid naar de betrokken ouders, voogden en kinderen te verbeteren, is het aan te bevelen om naast de kinderrechter, een onderzoeksrechter te laten functioneren. Die zou verantwoordelijk zijn voor: - de vaststelling van de rechtsvraag aan de kinderrechter; - de noodzakelijke voorlopige voorzieningen; - de vaststelling van de onderzoeksopdracht aan de raad; - de aanwijzing van betrokkenen, informanten en hulpverleningsinstellingen bij het onderzoek en (eventueel) de (voorlopige) ondertoezichtstelling; - het rechtmatig verloop van het onderzoek; - de waarheidsvinding gedurende het onderzoek; - de rechtmatige samenstelling van rapport en advies; - het geven van een bindend advies over problemen rond de uitvoering van de OTS. Op de kinderrechter rust dan de verantwoordelijkheid voor de beslissing over de door de onderzoeksrechter gestelde rechtsvraag naar eventuele kinderbeschermingsmaatregelen.

De inhoud van beide functies biedt enige zekerheid dat: - het rapport op rechtmatige wijze tot stand komt en op feitelijkheden berust; - het advies aan de kinderrechter recht doet aan de belangen van alle partijen; - de kinderrechter een door alle partijen als rechtvaardig te ervaren oordeel geeft.