ME

Enige weken geleden (Z 24 aug.) verscheen in deze krant een artikel over (chronische) moeheid. Uit de ingezonden brieven blijkt dat er misverstanden zijn ontstaan over de opvattingen van het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) in deze kwestie. Dat gebeurt naar aanleiding van een passage waarin ik ben geciteerd.

Hierdoor wordt het Nederlands Huisartsen Genootschap ten onrechte in diskrediet gebracht.

Ik heb in het interview gezegd dat er voorlopig geen 'NHG-standaard Chronische Moeheid' zal komen, maar dat er wel gewerkt wordt aan een publikatie waarin huisartsen handvaten worden geboden voor diagnostiek en behandeling van moeheid op basis van de huidige stand van kennis. Dat laatste stuk ontbreekt in het interview. Daaruit zou men ten onrechte kunnen opmaken dat het NHG een afwijzende houding heeft. Niets is minder waar. Het NHG neemt actief deel aan een werkgroep onder mijn voorzitterschap, die waarschijnlijk aan het einde van dit jaar richtlijnen zal publiceren. Dat het geen NHG-standaard heeft is een semantisch probleem: NHG-standaarden zijn vergelijkbaar met andere keurmerken (vgl. Kema-keur) en kunnen alleen worden gemaakt als de stand van wetenschappelijke kennis dat op eenduidige wijze toelaat. Zover is het op dit moment nog niet.

In zijn brief van 28 sept. schrijft de heer Van Royen dat het NHG stelt dat 'negentig procent van alle moeheidsklachten bij de ME-patiënten vanzelf weer overgaat'. In het artikel staat echter dat het Genootschap meent dat negentig procent van alle moeheidsklachten vanzelf weer overgaat. Dat geldt uiteraard niet voor het (gelukkig veel schaarsere) probleem van de chronische vermoeidheid. Deze is veel hardnekkiger van aard. Het onderscheid aanbrengen tussen beide soorten vermoeidheid is een essentiële taak voor huisartsen. Daar zijn in mijn ogen geen misverstanden over.