Lichaamstaal van Orhan Delibas

Wie zijn hand balt tot een vuist voelt agressie. Die zou willen slaan, mogelijk een ander op zijn gezicht willen slaan - misschien wel vernietigend willen uithalen. De kunst die een bokser goed moet verstaan wanneer hij op de vuist gaat, is beheersing. Een bokser die niet domweg om zich heenslaat, verraadt talent.

Die stoot met de knokkels van zijn vuist op het lichaam van zijn tegenstander en, als de gelegenheid zich daartoe voordoet, op diens hoofd. Boksers gaan geen handgemeen aan met blote vuisten. Gewikkeld in windsel en tape worden de handen in zachtleren, gewatteerde wanten gestoken. Amateurs mogen slechts twee meter bandage gebruiken, professionals zoveel ze willen. De wanten mogen dan dik zijn, pijn aan de handen valt nauwelijks te vermijden. Veel oefenen is daarom het motto. Van jongsaf stoten op zware zandzakken en snelle speedballen verhoogt de pijngrens en doet het eelt op de knokkels aangroeien. Alleen een ervaren bokser voelt geen pijn meer in zijn vuisten. Hij heeft er zelfs bijna geen gevoel meer in. Tenzij hij zich te veel te buiten is gegaan aan wilde stoten. Aan mooie handen herkent men de nette bokser. Die heeft geen handen met knobbels en bobbels. Een beheerste bokser koestert zijn vuisten.