Kwart van bedrijven kent optieregeling

UTRECHT, 12 OKT. Nederlandse ondernemers staan niet te springen om hun werknemers via optieregelingen aandeelhouder in het eigen bedrijf te maken. Slechts een kwart van de organisaties met aandelenkapitaal heeft een regeling die personeelsleden het recht geeft om tegen een bepaalde prijs eigen aandelen te kopen.

Dat blijkt uit de net afgeronde Salarisenquête Directie en Hoger Personeel 1996 van het organisatie-adviesbureau Berenschot.

De geringe animo van bedrijven voor deze vorm van belonen heeft de onderzoekers van Berenschot nogal verrast. Vrijwel geen congres over beloningssystemen gaat voorbij zonder dat optie-regelingen aan de orde komen en ook in de media duikt het onderwerp voordurend op.

Bij aanvang van de enquête hadden de onderzoekers er op gerekend dat zeker de helft van de bedrijven inmiddels over dergelijke regelingen zou beschikken. “Het lijkt erop dat het meer de spraak is dan de daad”, zegt adviseur L. Steenhorst. Bij grote, internationaal opererende bedrijven zijn personeels-opties wel gebruikelijk, maar “bij puur Nederlandse bedrijven is nog niet veel belangstelling”.

De meeste bedrijven reserveren de optie-regeling alleen voor directieleden of het hoger management (38,4 procent) of voor bepaalde categorieën werknemers (23 procent). In ongeveer een derde van de gevallen mogen alle werknemers gebruik maken van de optieregeling. Bij de toekenning van opties kijkt de helft van de bedrijven hoe de betrokken werknemer de afgelopen periode heeft gefunctioneerd, terwijl een kwart de mogelijkheid van opties standaard in het arbeidsvoorwaardenpakket heeft opgenomen.

Managers die graag een deel van hun beloning in opties uitgekeerd zouden willen zien, kunnen het beste een werkgever zoeken in de industrie en nijverheid. Van de bedrijven met een optie-regeling is bijna 54 procent afkomstig uit deze sectoren, zo blijkt uit de Berenschot-enquête.

Ook de zakelijke dienstverlening scoort hoog met 42,3 procent. In andere delen van het bedrijfsleven is de belangstelling vrijwel nihil: slechts 3,8 procent van de bedrijven met een optie-regeling is werkzaam in de sectoren handel en transport.

Wie - afgezien van opties - als topmanager of directie-lid het hoogst mogelijke salaris wil binnenhalen, moet niet in de zakelijke dienstverlening gaan werken, zo blijkt bij bestudering van de enquêteresultaten per branche. Directieleden die (zoals dat in Berenschot-terminologie heet) 'meerdere aandachtsgebieden' hebben, verdienen in deze sector gemiddeld iets minder dan 220.000 gulden per jaar. Hun collega's in de industrie en nijverheid kunnen voor dezelfde functie jaarlijks zo'n 250.000 gulden per jaar incasseren, terwijl bedrijven in de handel en transport hun zwaarste bestuurders gemiddeld circa 245.000 gulden betalen.

Voor midden- en hoger kader met een mbo-diploma op zak en relevante werkervaring is de zakelijke dienstverlening juist weer wel de meest profijtelijke bedrijfstak. In deze sector verdient deze groep werknemers gemiddeld bijna 75.000 gulden (inclusief vakantiegeld) per jaar, een stuk meer dan de circa 60.000 gulden die handels- en transportbedrijven er voor over hebben. In de industrie en nijverheid krijgen personeelsleden met deze achtergrond ongeveer 65.000 gulden per jaar.

Of midden- en hoger kader gemiddeld meer of minder is gaan verdienen ten opzichte van voorgaande jaren, is volgens Berenschot-adviseur J. Laarman niet in globale termen aan te geven.

Duidelijk is volgens haar collega Steenhorst wel dat het salarisniveau zowel voor de werkgever als voor de werknemer steeds meer belang krijgt. “Bedrijven willen marktconform belonen, die tendens is heel duidelijk.

Ze willen niet teveel betalen, omdat salarissen een grote kostenpost zijn waar bedrijven tegenwoordig veel beter op letten. Maar ze willen ook niet te weinig bieden, omdat ze bang zijn dat ze hun goede krachten anders niet kunnen vasthouden.''