Koninklijke Subsidie viert 125-jarig jubileum

Tentoonstelling Koninklijke Subsidie voor Vrije Schilderkunst 1996 in het Paleis op de Dam. T/m 10 nov. Dagelijks 12.30-17u. Catalogus ƒ 39,95.

AMSTERDAM, 12 OKT. Koningin Beatrix heeft gistermiddag in het Paleis op de Dam de Koninklijke Subsidie voor Vrije Schilderkunst uitgereikt aan Annemiek de Beer, Norbert Grunschel, Bas Meerman, Rik Meijers, Dino Ruissen en Ellen Zwarteveen. De koninklijke subsidie, die is bedoeld als aanmoedigingsprijs voor jonge kunstenaars, werd 125 jaar geleden ingesteld door koning Willem III. Ter viering van dit jubileum is in het Paleis op de Dam behalve werk van de zes winnaars en negentien andere inzenders van dit jaar, ook een beknopt overzicht te zien van laureaten uit het verleden.

De tentoonstelling begint in 1871 en geeft verder een beeld van de bekroonde schilders uit 1896, 1921, 1947 en 1971 (steeds ongeveer 25 jaar later). Daarnaast zijn twee extra jaren gekozen: 1887, omdat toen een einde kwam aan de hegemonie van de Amsterdamse kunstenaarsvereniging Arti et Amicitiae in de jury en 1981, het jaar waarin voor het eerst naast kunstenaars, ook kunsthistorici tot de jury toetraden.

Het eerste jaar waren er 45 inzenders van wie er niet vijf, zoals het reglement voorschreef, maar veertien een prijs kregen, variërend van vierhonderd tot vijftienhonderd gulden. Na de Tweede Wereldoorlog werden er jaarlijks maximaal zes subsidies van elk twaalfhonderd gulden uitgereikt aan schilders tot 35 jaar. Het prijzengeld dat in 1960 werd verhoogd tot ƒ 2500, bedraagt sinds 1976 ƒ 5000 belangstingvrij. Misschien is het inmiddels weer tijd voor een koninklijke inflatiecorrectie. In vrijwel elk jaar treft men enkele bekende namen aan: Louis Apol (1871), G.H. Breitner, Suze Robertson, Jan Toorop, Jan Voerman (1887), Charles Eyck (1921), Pieter Defesche, Jef Diederen (1947), Pat Andrea, Peter Blokhuis, R.W. van de Wint (1971) en Ansuya Blom, Emo Verkerk (1981). Maar wie is in vredesnaam Goswina d'Ailly die niet alleen in 1921 op 22-jarige leeftijd bekroond werd, maar ook in 1920, 1922 en 1923. Zij is met anderen in de vergetelheid geraakt. Een enkeling vertrok naar het buitenland en verwierf daar lokale bekendheid. Verrassend is de inzending, in 1947, van de dichter Chris van Geel: een mooie, lichtvoetige gouache van een zuidelijk balkon met gedekte tafel en uitzicht op de zee. Het is niet altijd gelukt om de bekroonde schilderijen te traceren, maar het geheel geeft wel een goede indruk: vrij veel doorsnee-werk en slechts enkele vernieuwers. De hoge leeftijd van de juryleden was hier mede schuldig aan. Daarom beperkte men na de oorlog de zittingsduur en worden sinds 1963 geen kandidaten meer voorgedragen die ouder zijn dan 65 jaar.

Dit jaar is met de toetreding van Wim Beeren tot de jury voor het eerst weer van deze regel afgeweken. Na de rondgang door het verleden bekijkt men de lichting '96 met de nodige relativering.

De zes felgekleurde plastic vergieten van Ellen Zwarteveen of het zachtgele ei tegen een lichtblauwe achtergrond van Norbert Grunschel zijn niet erg opwindend. De forse cactus van Annemiek de Beer en de initialen van Dino Ruissen zijn als thema ook nogal braaf, maar de uitvoering is schilderkunstig interessanter. Eigenlijk is er nog steeds sprake van traditionele genres als stilleven en figuratie. Van de twee figuurschilders onder de winnaars, Rik Meijers en Bas Meerman, is de laatste het meest veelbelovend. Zijn vlot geschilderde, op Manets fluitspeler geïnspireerde figuur met vlaggenstok heeft door de loensende blik van de jongen iets verontrustends.

De oogst aan onbekend talent was dit jaar niet groot. Zwarteveen en Ruissen behoorden vorig jaar ook al tot de exposanten. De kantoorinterieurs van G-Brecht waren al in 1994 en 1995 te zien en Eelco Brand doet met zijn realistisch geschilderde taferelen zelfs al drie jaar mee. Temidden van al die schilderijen valt de inzending van Sanne Bruggink op. Zij maakte met populierenhout, beits en lak een aardig reliëf getiteld Wachtstoeltjes.

Met de wisselende waardering voor de schilderkunst, komt regelmatig de vraag terug of een prijs niet tot 'andere takken van sport' uitgebreid zou moeten worden. Belangrijker lijkt me voorlopig om de Subsidie zelf een meer uitgesproken karakter te geven. Door haar criteria te expliciteren en door minder vlakke en opsommerige rapporten te schrijven zou de jury de noodzakelijke discussie over de schilderkunst kunnen aanwakkeren.