Hoeveelheid vis in Noordzee is ruim voldoende

De steeds vaker in de media opduikende berichten over overbevissing en visserijconflicten roepen associaties op met berichten over vervuiling en kaalslag van de tropische regenwouden. Het beeld komt naar voren dat de hebzucht van de mens een milieucatastrofe onafwendbaar dichterbij brengt.

Bovenstaand doembeeld is echter wat zeeën en oceanen betreft grotendeels onjuist. De wereldvisproduktie neemt nog steeds toe. De grote verwarring komt voort uit het feit dat de term overbevissing doet denken aan leegvissen. Overbevissing leidt echter maar zeer zelden tot leegvissen. Overbevissing betekent in de meeste gevallen dat de visstand kleiner is dan in een situatie met een biologisch optimaal visserijpatroon.

Om op een heldere manier over overbevissing te spreken maken visserijbiologen onderscheid tussen groei-overbevissing en recruitment-overbevissing. Bij groei-overbevissing wordt de vis gemiddeld op te jonge leeftijd gevangen. De omvang van het bestand is afgenomen en er zijn relatief minder volwassen vissen. Het zou economisch verstandiger zijn om de vis nog een tijdje langer te laten zwemmen. Dan kunnen duurzaam hogere vangsten worden gehaald. Ook in een situatie van groei-overbevissing kan echter ieder jaar opnieuw sprake zijn van een behoorlijke oogst, en dus van een rendabele visserij.

Over recruitment-overbevissing wordt gesproken wanneer de hoeveelheid geslachtsrijpe dieren (het paaibestand) tot een zodanig laag niveau daalt, dat de kans bestaat dat het voortplantingssucces vermindert. Er bestaat in deze situatie een kans dat er een neerwaartse spiraal ontstaat waarbij een steeds kleiner wordend bestand steeds kleinere jaarklassen produceert. Recruitment-overbevissing komt echter zelfs bij een hoge visserij-intensiteit niet snel voor. Dit komt doordat veel commerciële vissoorten ieder jaar een enorm aantal eieren produceren. De hoeveelheid jonge vis die hieruit voortkomt is vooral afhankelijk van de overleving in het ei- en larvenstadium. Er is dus geen lineair verband tussen de hoeveelheid volwassen vis en de hoeveelheid jonge vis. Ook een relatief klein paaibestand kan een grote, nieuwe jaarklasse produceren waarmee de vissers weer jarenlang vooruit kunnen.

Momenteel is voor veel commercieel belangrijke visbestanden in de Noordzee sprake van groei-overbevissing. Daarnaast bevindt zich een aantal bestanden op of onder de door biologen gedefinieerde ondergrens. Ondanks de hoge visserijdruk is de totale visopbrengst uit de Noordzee na een daling eind jaren tachtig de afgelopen jaren echter weer gestegen. De toename is toe te schrijven aan een toename van de vangsten van soorten zoals makreel en sprot. Het lijkt erop dat deze soorten hebben geprofiteerd van de verlaging van het kabeljauwbestand.

Visserij leidt blijkbaar niet tot een afname van de totale hoeveelheid vis. Een plausibele verklaring hiervoor is dat de verschillende vissoorten afhankelijk zijn van dezelfde voedselbronnen. Wat de ene soort niet consumeert, komt ten goede aan een andere soort. Het is bekend dat soorten als kabeljauw, wijting en makreel op dezelfde kleine vissoorten jagen. Visserij zou in theorie zelfs tot een hogere visproduktie moeten leiden omdat vissen hoog in de voedselketen vaak de meest waardevolle zijn.

Het is dus duidelijk dat visserij niet leidt tot het leegvissen van zeeën en oceanen. De wereldvisvangst heeft in 1994 weer een record bereikt, ondanks de overbevissing van een aantal soorten. De in de huidige campagne van het Wereld Natuur Fonds geuite noodkreet dat op dit moment 70 procent van alle visgebieden op aarde is leeggevist berust dan ook op een verkeerde interpretatie van cijfers uit het vorig jaar door de FAO gepubliceerde rapport 'The state of world fisheries and aquaculture'.

De FAO heeft hierin gesteld dat in 1994 mondiaal 69 procent van de visbestanden volledig, zwaar of te zwaar werd bevist. Met het oog op de groeiende wereldbevolking waarschuwde de FAO dat de wereldvisvangst weliswaar nog steeds groeit, maar dat het plafond duidelijk in zicht is. Uit de FAO-rapportage blijkt dat 9 procent van de belangrijke commerciële bestanden wordt aangemerkt als uitgeput (depleted). De door de FAO genoemde percentages voor bestanden die volledig of zwaar worden bevist (44 procent) en bestanden die worden overbevist (16 procent) mogen hierbij niet worden opgeteld wanneer gesproken wordt over leegvissen.

Ook uit de FAO-cijfers blijkt dat de visserij zich gedeeltelijk heeft verlegd naar kleinere soorten. 'Fishing down the food chain', wordt dit genoemd. Ook wereldwijd zijn dus verschuivingen opgetreden ten gunste van goedkopere vissoorten. Overbevissing is daarmee eerder een sociaal-economisch dan een biologisch probleem. De vangsten van veel belangrijke commerciële soorten zijn door overbevissing lager dan in het verleden. Herstel van deze visbestanden betekent dat duurzaam hogere vangsten mogelijk zijn. Dit herstel vraagt echter verlaging van de vangsten op de korte termijn. Aangezien deze vangsten al laag zijn, bestaat hiervoor bij vissers weinig animo. De overleving van hun bedrijf komt hiermee immers op het spel te staan.

Voor een individuele visser komt hier ook nog eens een belangrijk aspect bij. Wanneer hij besluit om minder te gaan vissen, betekent dat niets voor de visstand zolang zijn collega's in het huidige tempo blijven doorvissen. Hij vist dan letterlijk achter het net. Minder vissen betekent het nemen van verlies op de korte termijn zonder zicht op betere opbrengsten in de toekomst. Een visser is dus geneigd om door te vissen en te vertrouwen op zijn vakkundigheid. Veel vertrouwen in het internationale visserijbeheer heeft hij niet. Het blijkt immers dat op de naleving van de bestaande regels in veel landen onvoldoende controle plaatsvindt.

Toch is ook op het terrein van het internationale visserijbeheer sprake van positieve ontwikkelingen. De uitbreiding van visserijzones naar 200 mijl in de jaren zeventig heeft veel visvoorraden onder nationale jurisdictie gebracht. Effectieve regulering van de visserij is hierdoor mogelijk. Binnen de Verenigde Naties zijn vorig jaar afspraken over de visserij op volle zee gemaakt. Dat ook hier duidelijk sprake van vooruitgang is, blijkt uit conflicten over de verdeling van de vangstquota. Waarom zou je een conflict aangaan als je toch onbeperkt kunt vissen?

Met het oog op milieu-effecten van de visserij is van belang dat vorig jaar door de FAO een gedragscode voor verantwoorde visserij is opgesteld. In deze gedragscode wordt niet alleen aandacht besteed aan de bescherming van visbestanden, maar ook aan bescherming van de natuur. Wanneer landen gaan toezien op de naleving van deze code, zal ook op dit terrein sprake kunnen zijn van belangrijke verbeteringen. Gezien de aard van het overbevissingsprobleem en de geschetste ontwikkelingen is er dan ook weinig reden tot pessimisme.