Een eindeloze maskerade van bochels en neuzen

Voorstelling: De Paravents of Het beweegt nog van Jean Genet door De Verrukking/KVS. Bewerking en regie: Rik Hancké; muziek: Fred Van Hove; spel: Tom van Bauwel, Joeri Hancké, Monique Kuijpers, Gert Lahousse, Carl Ridders, Anja Van Riet. Gezien: 9/10 De Brakke Grond Amsterdam. Aldaar t/m 12/10. Utrecht Stadsschouwburg: 15 en 16/11. Inl: (020) 6 26 68 66

Les Paravents (1961) geldt als een van de meest controversiële stukken van Jean Genet. De eerste opvoering in 1966 in Parijs ging gepaard met een rookbommenprotest door tegenstanders van de Algerijnse onafhankelijkheidsstrijd. Het stuk verscheen in een periode dat het Franse koloniale bewind in Algerije aan het afbrokkelen was en met zijn groteske beschrijving van de situatie aldaar, waarin hij een denigrerend beeld van de Franse machthebbers schetst, trapte Genet op vele gevoelige tenen van behoudende landgenoten.

Toch verhaalt Les Paravents over meer dan de revolte van de Arabieren tegen het koloniale leger. Aan de hand van de geschiedenis van Saïd, een straatarme jongen die met zijn moeder en aartslelijke vrouw werkend en stelend door een land in opstand trekt, ontrolt zich een gargantuesk panorama van leven en dood, dat een wereld toont waarin de begrippen goed en kwaad op hun kop staan.

De thematiek inspireerde Genet tot een mammoetproduktie met 16 taferelen en liefst 96 rollen voor 37 acteurs. Het Antwerpse gezelschap De Verrukking heeft zich daardoor niet laten afschrikken: zes acteurs en één accordeonist brengen voor het eerst een Nederlandse bewerking van het stuk. De Paravents of Het beweegt nog van regisseur en bewerker Rik Hancké volgt getrouw de oorspronkelijke tekst, alleen de drie laatste taferelen zijn gesneuveld, die waarin de vroegere vijanden broederlijk in het dodenrijk bijeen zitten en zich vrolijk maken over de chaos op aarde.

Ook de scenografie wijkt op sommige punten af van de gedetailleerde regieaanwijzingen. Zo speelt De Verrukking niet in een openluchttheater maar in reguliere zalen en de beschilderde, drie meter hoge windschermen die Genet voorschrijft zijn teruggebracht tot één glazen scherm van bescheiden omvang, dat door een van de spelers met een kwast in de hand wordt voorzien van afbeeldingen die naar een nieuwe scène verwijzen.

Aankleding en speelstijl daarentegen komen aardig in de buurt van wat de schrijver voor ogen moet hebben gestaan: een schier eindeloze maskerade van volkse en exuberante types, van bochels en valse neuzen. Iedereen speelt dubbelrollen en er wordt aan een stuk door verkleed. In vaak bizarre uitdossingen en flink geschminkt draaft men (meestal blootsvoets) op en af.

Het spel is een ultieme cursus dramatische expressie. Met handen en voeten, sluipend, kruipend en kronkelend, grimassend en met woest rollende r's roepen de zich in het zweet werkende acteurs een intens verhevigde werkelijkheid op terwijl de muzikant in de coulissen aan zijn accordeon staat te trekken.

Of de voorstelling gediend is met al dat respect voor de schrijver valt te betwijfelen. Mij vloog zoveel lijfelijk geploeter in ieder geval na vijf minuten al naar de keel. Twee en een half uur Genet kan dan een hele opgave zijn.