Een doos met een tuin; Utrechts Universiteitsmuseum betrekt nieuwe behuizing

Het Utrechts Universiteitsmuseum opende gisteren een fraaie nieuwe behuizing. Achter de glazen gevel in de Lange Nieuwstraat schuilt een doos vol wetenschap waarin nog veel moet gebeuren.

DE AANBLIK van de nieuwbouw is prachtig. Vanaf de Lange Nieuwstraat, waar het Utrechts Universiteitsmuseum een nieuw onderkomen heeft, is achter een pui van glas een houten doos zichtbaar. Panelen, glas en ingang maken een crescendo van rechthoeken. De schatkist - een ontwerp van Koen van Velsen - heeft taatsdeuren en beschermt tere collecties tegen ongewenste invloeden. Tot de tweede verdieping reikend, loopt de doos door tot in het voormalige botanisch laboratorium en vormt daarmee de verbinding tussen nieuwbouw en oudbouw. Tussen doos en pui kan het publiek over glazen galerijen circuleren. Aan de achterzijde bieden ze uitzicht op het buitenmuseum: de in ere herstelde botanische tuin met zijn kassen, oranjerieën, vijverpartijen en uitheemse planten.

“Toen ik in 1982 directeur werd trof ik een ontredderd museum aan”, zegt Steven de Clercq, van huis uit geoloog. “Tegen de zin was men verhuisd naar de Biltstraat, naar het voormalige Pathologisch Instituut van de faculteit der Diergeneeskunde. Dat pand was gekraakt. Toen de secretaris van het College van Bestuur van de universiteit de loco-burgemeester belde of er ontruimd kon worden, zei deze dat dat alleen kon als er een bestemming was. Een kwartier later hing de secretaris opnieuw aan de lijn: 'Het Universiteitsmuseum komt erin.' Het was geen onaardig gebouw maar ongelukkig gelegen, in alle opzichten te klein en museaal volstrekt ongeschikt.”

De wortels van het Utrechts Universiteitsmuseum gaan terug tot 1918. Toen stuitte dr. P.H. van Cittert op zolder van het Physisch Laboratorium aan de Bijlhouwerstraat op duizend antieke instrumenten. De Clercq: “Er was maar één manier om op die zolder te komen en dat was via de slaapkamer van de dochter van de inwonende custos. Die kon niet aan de man komen en behalve papa kwam niemand op die zolder, die was totaal onbekend. Pas toen de custos was overleden en het physisch laboratorium de woning uit ruimtenood vorderde, trof Van Cittert de zolder aan. Direct is hij begonnen de instrumenten te documenteren en te conserveren.”

Een deel van de collectie behoorde toe aan het Natuurkundig Gezelschap, waarvan tien jaar later op een andere zolder het archief opdook. De Clercq: “Er bleken nog drie stokoude leden in leven zodat de zaak legaal is overgedragen. In 1936, bij de driehonderdste verjaardag van de universiteit, kreeg het museum het gebouw Trans 8 cadeau, maar tot verdriet van Van Cittert werd vooral de collectie Nijland er tentoongesteld: prenten, penningen, oorkondes en andere voorwerpen die de geschiedenis van de Utrechtse universiteit in beeld brachten. Al die verhalen heb ik uit de mond van mevrouw Van Cittert, mijn ambtelijke grootmoeder. In mijn begintijd als directeur kwam Truus - zo moest ik haar aanspreken - regelmatig op de Biltstraat langs en het werk en de zorg van haar en haar man komen we nog dagelijks in het museum tegen.”

PROVISORISCH

De bezoeker die het pand aan de Lange Nieuwstraat binnengaat en de verleiding van de tuin weerstaat, komt eerst langs de Bleulandkast - voorlopig provisorisch ingericht. Het meubelstuk is door zijn hoogte van 4.52 meter verzonken in de bouwput opgesteld, en heeft om zijn lengte van 17 meter de vorm van een U gekregen. Het anatomisch kabinet van Jan Bleuland, dat in de Statenzaal op het Janskerkhof werd bewaard, is een geschenk van Koning Willem I uit 1816. De aanschaf van natte en droge preparaten, een combinatie van vergelijkende anatomie en zoölogie, en later van de wasmodellen van Petrus Koning, vloeide voort uit het Organiek Besluit van 1815. Dat verhief de illustere academies van Leiden, Groningen en Utrecht tot 's lands drie hogescholen en verplichtte ze tot het aanleggen van kabinetten op divers gebied.

“In de winter van 1982-83 ben ik hier met een provinciaal museumconsulent gaan kijken”, zegt Steven de Clercq. “De tuin stond vol barakken, een deel was verworden tot parkeerplaats, het was één grote bende. De botanische tuin was toen al lang verhuisd naar Fort Hoofddijk in de Uithof en ook het Botanisch Laboratorium zou die kant opgaan. Ik wist direct dat ik naar de Lange Nieuwstraat wilde. De eerste zorg was dan ook dat de universitaire bestemming van het pand niet zou vervallen: dan zou het terugvallen aan de gemeente en die wilde sociale woningbouw. Weliswaar was de Biltstraat een tijdelijk onderkomen, maar onze prioriteit bij het College van Bestuur lag niet hoog. Bovendien speelde de wens het Nationaal Wetenschapscentrum naar Utrecht te halen, waar wij dan deel van moesten uitmaken. Maar Impuls, zoals het centrum inmiddels heet, ging naar Amsterdam en ik ben er niet rouwig om. Toen in 1991 het idee van het Utrechtse Museumkwartier nieuw leven werd ingeblazen, konden we alsnog naar de Lange Nieuwstraat.”

In het gebouw, een pijpenla, is een functionele driedeling aangebracht. De Clercq: “Het dateert van 1906, toen er nog geen elektrisch licht was, vandaar die grote ramen aan de tuinkant. Het herbarium, vier lage verdiepingen van een kleine 100 vierkante meter, is omgebouwd tot depot. De zuidmuur laten we begroeien, een natuurlijke vorm van klimaatregeling en een koppeling tussen binnen- en buitenmuseum. In het middendeel zit de staf. Daar is ook het archief en de bibliotheek, die op afspraak zijn te raadplegen. Omdat er geen geld voor was hebben we het helemaal zelf opgeknapt, op vrijdagmiddag met zijn allen schilderen. In het expositiedeel is fors ingegrepen. Dat was een uitgewoond onderwijsgebouw dat is uitgebroken en voor een deel gesloopt. Daarbij is hetzelfde bouwvolume voorzien van een glazen gevel, die de tuin vanaf de straat zichtbaar maakt, teruggezet en is het museum in een doos van kersenhout gestopt. Alles ontworpen door Koen van Velsen om de Lange Nieuwstraat stedebouwkundig meer aanzien te geven.”

Eveneens op de begane grond is de 'Utrechtzaal'. Een historisch collegezaaltje dat vroeger bij geneeskunde op het Janskerkhof stond en dat dertig man kan bergen wordt er opnieuw opgebouwd. Eromheen, in drie meter hoge vitrinekasten, komen de mechanische instrumenten, de preparaten van Bleuland, de wasmodellen van Koning, geologisch materiaal, de maten en gewichten van Van Swinden en nog veel meer. Al deze collecties worden belicht in hun historische context, vanuit hun oude rol die ze in het onderwijs innamen. Ook de geschiedenis van de universiteit en van het studentenleven komt aan bod, met de stichtingsakte uit 1636, oorkondes en handschriften en aan de wand portretten van coryfeeën als Harting, Mulder, Donders en Buys Ballot, hoogleraren die de Utrechtse universiteit in de negentiende eeuw aanzien gaven. Vanwege een probleem met de vloer (die door de aannemer niet vlak genoeg is opgeleverd) is de inrichting van de Utrechtzaal ernstig vertraagd, maar bij de dies van 26 maart moet het af zijn.

Door het aanbrengen van de doos zijn in het oude deel van het gebouw aan de straatzijde ruimtes afgesneden die zich uitstekend lenen om kleine wisseltentoonstellingen onder te brengen. Op het moment zijn dat voorwerpen en kostuums die bij maskerades door het Corps werden gebruikt en 'Corpora nova', een educatief project. In oude modellen zijn ter bewustwording van de scholier een gezonde en een rokerslong geplaatst, alsmede een gezond en een vervet hart en een gezonde en een alcoholistenlever. Het museum speelt hier schuchter zijn moderne rol van science center, maar zonder de banden met de geschiedenis los te laten.

LEERSCHOOL

“Wij zijn het bedrijfsmuseum van de Universiteit Utrecht”, zegt Steven de Clercq. “Die financieren ons voor een groot deel en kijk hoe het het Techniekmuseum is vergaan toen men daar van de TU Delft wegdreef - voor ons een buitengewoon heldere leerschool. De liefde moet van twee kanten komen: wij richten ons op de Utrechtse academische gemeenschap. Voor de collectie vind ik zo'n eenvoudig selectiecriterium een zegen en er komt zoveel goed materiaal uit voort dat kwaliteit zelden een probleem is. Voor de presentatie heeft de rol van bedrijfsmuseum het voordeel dat je, wanneer je een tentoonstelling over Kelten doet, geen specialist in dienst hoeft te hebben maar naar zo'n vakgroep kunt stappen en zeggen: 'Kom maar op met je verhaal, dan vertalen wij het naar het publiek'.”

Op de eerste verdieping van het museum, dat gisteren door British Museum-directeur Robert Anderson feestelijk is geopend, is een foto-expositie te zien van Rosamond Purcell, bekend van haar samenwerking met Stephen J. Gould. De Amerikaanse heeft karakteristieke preparaten uit de Utrechtse natuurhistorische en medische collecties gefotografeerd. Volgend schooljaar zit in dit deel van de doos het 'jeugdlab', waar leerlingen in de leeftijdsgroep van 10 tot 14 jaar zelfstandig detective-achtige onderzoekjes uitvoeren die nieuwsgierig maken naar het waarom van de verschijnselen. De Clercq: “We proberen de schoolgaande jeugd op een moment te pakken dat de keuzes nog niet gemaakt zijn, dat ze vanwege die ellendige hormonen nog niet de stoere bink hoeven uit te hangen. Met de Utrechtse Pabo's en de lerarenopleidingen kijken we hoe we het jeugdlab - dat we in de toekomst naar de kassen in de tuin hopen te verplaatsen - het beste gestalte kunnen geven. Schoolreisjes willen we niet. Veel liever heb ik dat een groep een keer of vijf terugkomt en inhoudelijk echt wat leert, merkt hoe leuk wetenschap kan zijn.”

Op de tweede verdieping - waar tussen doos en glas de hoogtevrees toeslaat - zit in het nieuwbouwdeel het open depot van de collecties tandheelkunde en oogheelkunde. De honderden instrumenten liggen in robuuste kasten die uit de Biltstraat zijn meegenomen en zijn met glasvezels uitgelicht. Nadere informatie geeft een computer. Zeer belangrijk in de geschiedenis van het museum is de aankoop, in 1960 en voor gemeenschappelijke rekening met de Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde, van de collectie Kalman Klein. Deze wereldberoemde verzameling omvat 1.500 boeken, 300 schilderijen, prenten, tekeningen, etsen en ongeveer 500 antieke tandheelkundige instrumenten. Sinds de sluiting van de faculteit tandheelkunde wordt hij beheerd door prof.dr. J.D. de Stoppelaar. De Clercq: “Tandheelkunde maakt met 40.000 voorwerpen bijna een kwart van de collectie uit en tandheelkundig Nederland ziet het als zijn museum. Bovendien: ze dragen bij in de kosten. De laatste stand is dat 3.137 tandartsen, samen met andere vertegenwoordigers van de beroepsgroep, ruim een miljoen gulden voor de nieuwbouw van het museum bijeen hebben gebracht. Die krijgen daarvoor dus iets terug.”

RARITEITENKABINET

In het oude gedeelte boven komen de wisseltentoonstellingen. Om ruimte te winnen is hier - tegen de zin van de architect - het idee van de doos verlaten en worden licht en warmte geweerd met andere middelen. De eerste expositie heet 'De Opening' en laat zien hoe het ons gebit in de loop van de eeuwen is vergaan. Omdat de vaste opstelling nog veel werk vraagt, is de volgende (over gebarentaal) pas over een jaar.

Een trap naar boven voert naar het 18de-eeuwse rariteitenkabinet, geïnspireerd op dat van Daniel Marot. Deze Haagse ontwerper verzamelde vooral om te imponeren. Zijn collectie is verkocht naar Rusland. In vier originele en één nagebouwde kast heeft het Utrechtse museum spullen uit de eigen collectie bij elkaar gezet volgens de ordeningsprincipes van toen: leven in de zee, vergiften en geneeskruiden, archeologie, de anotomie en pathologie van mens en dier, jachttrofeeën uit Indië, penningen en skeletten. Daarbij gaat het niet om de aparte voorwerpen, maar om de sfeer die ze bij elkaar oproepen: kijk eens wat voor moois we allemaal in huis hebben. Er kan nog naar buiten gekeken worden, maar het tegenlicht reduceert voorwerpen al snel tot silhouetten en er komt gaas.

Resteert de tuin. Dit buitenmuseum - waarin nog altijd zeer bijzondere bomen staan zoals een Ginkgo uit 1750, een Japanse tempelboom met aan elkaar gegroeide naalden, het eerste exemplaar buiten Japan - laat in vier stappen zien hoe er door de eeuwen heen is geordend. Er is een Regiustuin met een indeling naar geneeskrachtige werking: kiespijn, ziekten van de luchtwegen, maagaandoeningen, enzovoort. De achttiende eeuw is vertegenwoordigd met twee oranjerieën, waarvan de oudste uit 1723 stamt. Hij is in perfecte staat en zal van half mei tot half oktober, als de planten buiten staan, worden verhuurd voor concerten en recepties - die dan wel het museum in hun programma moeten integreren. De tweede oranjerie, waarin het museumcafé komt, krijgt voor de deur een 18de-eeuws plein dat loopt tot de glazen gevel van Van Velsen. Vijverpartijen geven een indruk van de romantische landschapstijl uit de negentiende eeuw, onze eeuw is aanwezig met plantengemeenschappen zoals een cottage-hoek.

De tuin - die 15.000 bezoekers extra moet trekken - is opgeknapt door een leger vrijwilligers, verenigd in de stichting 'Vrienden van de Oude Hortus'. Een dag in de maand helpt De Clercq mee. “Dat is buitengewoon heerlijk om te doen. Het tuinontwerp is van Jörn Cozijn. Die ken ik van vroeger. Als jongetje van tien hadden we samen met andere vriendjes in een oud schapenhok onze eigen natuurhistorische collectie. Inderdaad, mijn museale wortels zijn oud.”

Dit weekeinde houdt het Utrechts Universiteitsmuseum 'open huis'. Zaterdag 13-16 uur, zondag 13-17 uur.